Een traplift aanvragen, hulp in het huishouden regelen of een andere vorm van ondersteuning krijgen na een ingrijpende verandering in je leven. Dat zijn momenten dat Nederlanders via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan kunnen kloppen bij de gemeente voor steun). De wet, ingevoerd in 2015, zet op papier in op een samenwerking tussen burger en gemeente: zij dienen samen de hulpvraag van de burger in kaart te brengen.
‘Maar in de praktijk wordt er wel erg veel ‘juridisch doenvermogen’ verwacht van de burger’, legt Kerssies uit. ‘Eerst moet je een melding doen. Dan volgt– na een wachttijd die kan oplopen tot een half jaar - een keukentafelgesprek, waarbij voor de meeste burgers niet helemaal duidelijk is wat er van ze verwacht wordt. Daarna volgt een verslag, en pas dáárin staat of je wel of geen recht hebt op ondersteuning. En als je een negatief advies krijgt, dan moet je zelf maar uitzoeken welke vervolgstappen nog mogelijk zijn, zoals het doen van een aanvraag.’
Complexe procedure na grote klap
De jurist sprak voor zijn onderzoek met beleidsambtenaren en Wmo-consulenten van drie verschillende gemeentes, maar ook met 36 inwoners uit die gemeentes die een Wmo-aanvraag hebben willen doen. ‘Mensen hebben vaak behoorlijk heftige omstandigheden meegemaakt voordat ze bij de gemeente aankloppen’, vertelt Kerssies. ‘Ik sprak mensen met ernstige beperkingen, mensen die door een ongeluk een dwarslaesie opliepen en mensen die afhankelijk waren van beademing. Juist onder deze omstandigheden wordt veel verwacht van hun vermogen om complexe procedures te doorlopen.’
Uit het onderzoek van Kerssies blijken verschillen in opleidingsniveau minder bepalend dan vaak wordt gedacht. Ervaring met het systeem is belangrijker. ‘Het grootste verschil dat ik zag, is tussen mensen die de procedure al vaker hebben doorlopen en mensen die er voor het eerst mee te maken krijgen. Wie het systeem kent, weet beter de weg te vinden. Nieuwkomers lopen veel vaker vast.’
Goedkope scootmobiel
Volgens Kerssies spelen ook de bezuinigingen van de afgelopen jaren een rol in de beperkte ondersteuning die burgers soms krijgen. Dat is geen reden om inwoners minder te betrekken, geeft hij aan. 'Als een inwoner een bepaald hulpmiddel vraagt, hoeft het gesprek niet meteen te gaan over dat specifieke middel, maar over het doel dat iemand wil bereiken. De inwoner die vooral twee keer per week naar de kienmiddag in het buurthuis wil gaan, is mogelijk ook al tevreden met een goedkopere scootmobiel, als die maar wel het gevoel van controle heeft en zelf die keuze maakt.’
Volgens de jurist moeten gemeentes minder uitgaan van wantrouwen, meer in gesprek gaan met de burgers, en ze waar mogelijk actiever begeleiden. Kerssies: ‘De gemeente zou veel meer kunnen doen om inwoners op weg te helpen. Als inwoner heb je bijvoorbeeld recht op onafhankelijke cliëntondersteuning. Dat is iemand die je adviseert en helpt bij doorlopen van de procedure voorafgaand aan eventuele ondersteuning. Toch maakt in de praktijk slechts 2 tot 5 procent van de mensen daar gebruik van, meestal omdat ze niet weten dat het überhaupt een optie is.’
‘Er wordt vaak uitgegaan van de claimende burger die altijd meer wil dan waar hij recht op heeft. Maar veel inwoners zijn vooral onzeker. Als je transparant bent over de mogelijkheden en samen zoekt naar een oplossing, blijken mensen juist bereid om mee te denken.’