Hoe de katholieke missie de bevolking van Nederlands-Indië westers maakte

De katholieke missie in Nederlands-Indië had niet enkel, zoals lang gedacht, een vredelievend, religieus karakter. De missie leverde een cruciale bijdrage aan het in stand houden en legitimeren van de koloniale macht, soms op wrede en ingrijpende wijze. Dat laat historica Maaike Derksen zien in haar proefschrift dat ze op 15 juni verdedigt aan de Radboud Universiteit.

‘Er is nog steeds een misvatting dat de christelijke missies draaiden om bekering en evangelisatie. De missie was juist voor een groot deel onderdeel van het koloniale project, en veel meer dan we tot op heden dachten’, vertelt historica Maaike Derksen. Volgens Derksen werkte de missie op een cruciale manier mee aan het legitimeren en uitbreiden van de koloniale macht: ze bewaakte de raciale grenzen tussen Europeanen en de lokale bevolking en probeerde tegelijkertijd de lokale bevolking te transformeren naar westers ideaal.

Dit gebeurde vooral via projecten die de bevolking moesten ‘civiliseren’, en voornamelijk gericht waren op kinderen. In haar onderzoek kijkt Derksen naar projecten in twee geografische gebieden van voormalig Nederlands-Indië tussen 1856-1942: Java en Zuid Nederlands-Nieuw-Guinea.

Verpauperde Europeanen en Javaanse elite

In de negentiende eeuw werden katholieke priesters door het bestuur in Indië rijkelijk betaald om zielzorg te geven aan katholieke Europeanen. Toch bestond het gros van het werk van de priesters, broeders en zusters uit het beschaven naar christelijke moraal van de Europese bevolking. ‘Een deel van de Europeanen was moreel verpauperd, was het oordeel. Ze hadden een Indische vrouw en de Indische levensstijl overgenomen’, zo licht Derksen toe. ‘Daar moest wat aan gebeuren, want dat gaf het verkeerde voorbeeld en tastte de superioriteit van de kolonisator aan.’

Met name kinderen uit gemengde relaties werden als zeer problematisch gezien. Zij waren in juridische zin Europeaan, maar zouden door een inheemse moeder worden opgevoed. Deze kinderen moesten dus ‘gered’ worden. Derksen: ‘De kinderen werden daarom van hun moeders gescheiden en geplaatst in internaten en weeshuizen gerund door de katholieke missionarissen die kinderen naar westerse en christelijke moraal moesten heropvoeden.’

Hoe de katholieke missie de bevolking van Nederlands-Indië westers maakte
Indo-Europese meisjes in de slaapzaal van het weeshuis Bidara Tjina, Batavia (1938).  Bron: Vincentius vereniging, Jakarta

Ethische politiek

Vanaf 1900 volgde er een nieuwe fase waarin Nederland een zogeheten ‘Ethische Politiek’  ging bedrijven. Het doel was nu om Indië niet meer alleen als wingewest te behandelen maar ook het ‘welzijn’ van de Indische bevolking te bevorderen. Subsidies voor onderwijs aan de inheemse bevolking vanuit de Ethische Politiek stelden de missionarissen in staat om hun pijlen nu te richten op de Javanen.

In midden-Java werden twee grote onderwijsinstellingen opgezet, internaten waar Nederlandse paters, broeders en zusters westers onderwijs gaven aan jongens en meisjes uit de Javaanse elite.  Dat dit betekende dat deze kinderen werden gescheiden van hun ouders en losgeweekt van hun cultuur en religie, werd voor lief genomen. Derksen: ‘Een deel van deze Javaanse kinderen werd opgeleid tot onderwijzer en vervolgens als intermediair ingezet in het koloniale beschavingsoffensief en de evangelisatie. Zo zorgden zij er weer voor dat westerse en christelijke principes in de Javaanse gemeenschap ingang vonden.’

Beschaven in Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea

In 1905 gingen de katholieke missionarissen op uitnodiging van het gouvernement ook naar Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea. Ze moesten daar de 'koppensnellende' Marind-anim  gaan beschaven. Deze Papoea’s hielden er naar Nederlandse en christelijke maatstaven onacceptabele culturele (levend begraven, kindermoord, koppensnellen, kinderroof) en seksuele praktijken op na. Derksen: ‘Eerst beschaven en dan bekeren was dan ook het doel.’

Het beschavingsoffensief verliep in eerste instantie stroef: de missionarissen hadden geen autoriteit om de Marind-anim, die zich weinig van het beschavingsoffensief  aantrokken, te laten breken met hun cultuur. Derksen: ‘Toen besloot de missie om zogenaamde modelkampongs op te richten. Hier zouden Papoea’s onder het toezicht oog van een missionaris, in een gezinssituatie moeten gaan leven, in een hygiënische, westerse omgeving.’ Derksen noemt dit soort plekken ‘spaces of transformation’. ‘Hetzelfde zie je gebeuren in de weeshuizen en internaten op Java, door kinderen te scheiden van hun ouders, gemeenschap en cultuur kan er een nieuwe generatie worden gekweekt.’

Hoe de katholieke missie de bevolking van Nederlands-Indië westers maakte
Drie Marindineze mannenen  zusters van de congregatie Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart in Merauke. (1928-1930). In Merauke richtten de zusters na aankomst in 1928 een internaatschool voor meisjes op. Bron: PACE- Stichting Papua Erfgoed (via Flickr).

Meer dan 200 modeldorpen

Met financiële en materiële steun van het gouvernement stichtte de missie vanaf 1920 meer dan 200 modeldorpen in Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea. De huidige christelijke Papoea-identiteit is zo ontstaan. In deze modeldorpen, met elk een eigen dorpsschool, werden katholieke Keieze en Taminbareze onderwijzersgezinnen elders uit de Indische archipel aangesteld die vervolgens Papoea’s kwamen civiliseren en bekeren. Derksen: ‘Deze groepen stonden volgens de missie hoger op de ladder van beschaving. Dit wordt ook wel duaal kolonialisme genoemd.’

Het systeem laat voor Papoea’s weinig tot geen ruimte om überhaupt een positie van autoriteit in te nemen. Derksen ‘Hier liggen de historische wortels voor de huidige racistisch hiërarchische, en duaal koloniale, verhoudingen in West-Papoea. Indonesië legitimeert nu haar heerschappij over Papoea’s op eenzelfde manier als de missie en Nederland deed: de primitieve Papoea’s moeten nog steeds beschaafd worden. De huidige houding van Indonesiërs is er dan ook een van minachting voor de "luie en domme Papoea’s".'

Hoe de katholieke missie de bevolking van Nederlands-Indië westers maakte
Nieuw-Okaba, het eerste modeldorp in Zuid Nieuw-Guinea opgericht door de Missionarissen van het Heilige Hart in 1913. Op de foto staan Marind-anim die ‘Indische/Westerse’ kleding dragen, een voorwaarde om in het modeldorp te mogen wonen. Bron: Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilige Hart (1914), Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, AR-P027 Missionarissen van het H. Hart'

Onderdrukking als koloniale erfenis

De afgelopen jaren werd er in westerse media slechts sporadisch gerapporteerd over de gemarginaliseerde Papoea’s die te maken hebben met racisme en discriminatie en ernstige onderdrukking door de Indonesische autoriteiten en veiligheidstroepen. Dit huidige lot van Papoea’s is volgens Derksen, een koloniale erfenis, gecreëerd door Nederland en de Nederlandse missionarissen.

Volgen Derksen is het dan ook hoog tijd dat er in de geschiedschrijving over de koloniale tijd in Nederlands-Indië en Nederlands Nieuw-Guinea meer aandacht komt voor religie als analytisch thema en de rol van christelijke missies. ‘Historici hebben de weg nog niet gevonden naar de missie-archieven, maar er is nog zeer veel te ontdekken in dit gedeelde erfgoed bewaard in Nederland en Indonesië.’

Meer weten? Neem contact op met

  • Maaike Derksen, am.derksen [at] let.ru.nlclass="externLink"
  • Persvoorlichting & wetenschapscommunicatie Radboud Universiteit, media [at] ru.nl, 024 361 6000

Aan deze website wordt nog gewerkt. Meer informatie: 'een nieuwe website'.