'De Statenvertaling heeft weliswaar invloed gehad op enkele vaste uitdrukkingen, maar bepaalde niet het verdere taalgebruik,’ legt De Vos uit. ‘De vertaling bevat juist veel woorden en constructies die in die periode langzaam verdwenen.’ Onderzoekers buigen zich daarom al langer over de vraag hoe de standaardtaal dan wél verspreid raakte door heel Nederland.
Dialecten
Vóór de zeventiende eeuw was er geen standaard Nederlandse volkstaal, alleen een verzameling dialecten: het Middelnederlands. Aan het einde van de zestiende eeuw kwam er steeds meer behoefte aan een standaardtaal. De Vos: ‘De drukpers maakte het bijvoorbeeld mogelijk om teksten op grote schaal te verspreiden. Tegelijkertijd zorgde migratie voor een mengeling van dialecten in steden. Mensen begrepen elkaar niet altijd meer, en dus groeide de behoefte aan een gemeenschappelijke taal.’
In die periode verschenen de eerste spellinggidsen, grammatica’s en woordenboeken. Zo werd van bovenaf bedacht welke regels die Nederlandse standaardtaal zou moeten volgen. De vraag is hoe die taalregels hun weg vonden naar het taalgebruik van de gewone Nederlander.
De krant als massamedium
Uit cultuurhistorisch onderzoek is gebleken dat kranten een vast onderdeel vormden van het dagelijks leven in de Republiek. De Vos: ‘In de Nederlanden konden relatief veel mensen lezen: zo’n zestig procent van de mannen en veertig procent van de vrouwen. Bovendien waren kranten betaalbaar en breed beschikbaar. Kranten waren zo alomtegenwoordig dat ze terugkomen in schilderijen, liedjes en brieven uit de zeventiende eeuw. Er zijn zelfs preken overgeleverd van dominees die klagen dat hun gemeente vaker de krant leest dan de bijbel. Die Statenvertaling werd misschien dus wel minder gelezen dan de krant.’ Daarmee vormden kranten het ideale medium om de regels uit de eerste grammatica’s van het Nederlands te verspreiden.
Norm versus gebruik
Dankzij honderden vrijwilligers die alle zeventiende-eeuwse kranten uit Delpher hebben overgetypt kon dit nu voor het eerst onderzocht worden aan de hand van het Couranten Corpus (Instituut voor de Nederlandse Taal). De Vos bekeek voor vier grammaticale constructies welke regels daarvoor werden opgesteld, en of die ook in de kranten werden toegepast. Dat bleek meestal niet het geval. De regel voor het gebruik van hen en hun bijvoorbeeld – dezelfde regel die we nu nog leren en die voorschrijft dat je ‘ik geef hun een boek’ moet zeggen, maar ‘de leraar beloonde hen’ – werd al in 1625 geformuleerd, maar werd in de hele zeventiende eeuw niet nagevolgd in de kranten.
Het viel De Vos op dat kranten vaak relatief consistent waren in hun taalgebruik. ‘Voor bijvoorbeeld het werkwoord ‘zingen’ stonden de regels vaak nog de oude verleden tijdsvorm ‘zang’ toe, terwijl die in de ruim 6.000 kranten die ik heb onderzocht maar drie keer voorkomt. Kranten gebruiken bijna zonder uitzondering, ruim 8.000 keer, de vorm met ‘o’.’ Grammatica’s stonden meer variatie toe, en ook in andere tekstsoorten, zoals literaire werken, kwamen meer verschillende vormen van hetzelfde woord voor. ‘Misschien hadden die kranten dus wel een voortrekkersrol in een meer uniform taalgebruik', aldus De Vos.