ziekenzaal-iv-in-het-sint-elisabeths-gasthuis-met-patienten-en-personeel-beeldcollectie-gemeente-haarlem
ziekenzaal-iv-in-het-sint-elisabeths-gasthuis-met-patienten-en-personeel-beeldcollectie-gemeente-haarlem

Onderzoek naar doodsoorzaken tussen 1856 en 1950 met Citizen Science: Haarlemmers, Zwollenaren, Nijmegenaren, Groningers en Leeuwardenaren duiken in hun eigen stadsgeschiedenis

Door inzicht te krijgen in doodsoorzaken in de 19de en 20ste eeuw hopen historici meer te weten te komen over hoe bijvoorbeeld armoede of de plek waar je woont je gezondheid beïnvloedt. ‘Maar om daar iets over te kunnen zeggen heb je heel veel gegevens nodig en kennis van de omgeving’, aldus onderzoeker Tim Riswick. ‘Daarom werken we samen met mensen uit de steden die we onderzoeken.’

In Amsterdam verschoof het ziektepatroon in de negentiende eeuw langzaam: waar mensen eerst vaker stierven door infectieziekten zoals cholera of de pokken, was de doodsoorzaak eind negentiende eeuw steeds vaker een degeneratieve aandoening, zoals kanker of hart- en vaatziekten. Maar er waren ook grote verschillen tussen arm en rijk. Rijke mensen leefden langer en stierven vaker aan degeneratieve aandoeningen. Dat bleek allemaal uit eerder onderzoek van een collega-historicus.

Tim Riswick

‘Maar,’ zegt Riswick, ‘Amsterdam is natuurlijk maar één stad. We weten wel dat het besef van het belang van goede hygiëne en gezondheidszorg in Amsterdam begon. Maar we weten niet of men in de rest van Nederland dan aan dezelfde ziektes doodging als in Amsterdam en met dezelfde verschillen tussen arm en rijk.’ Daarom onderzoekt hij nu samen met zijn collega’s de doodsoorzaken in Zwolle en Haarlem. En daarna zijn Nijmegen, Groningen en Leeuwarden aan de beurt. 

Riswick: ‘Je kunt alleen uitspraken doen over het ziektepatroon op basis van heel veel gegevens bij elkaar. Die gegevens vind je vooral in steden, ook omdat die hun archieven vaak beter op orde hebben. In dorpen moet je het vaak hebben van doodsbriefjes, dan heb je per persoon een briefje waarop de doodsoorzaak staat. Die informatie kun je dan koppelen aan geboorte-, huwelijks- en overlijdensaktes. Daarvan proberen we nu in heel Nederland overzichten te maken. Maar dat is een flinke klus waarvoor we dus veel mensen nodig hebben.’

Wat doen de ‘citizens’ in dit onderzoek?

‘We hebben een kernteam van zo’n 100 mensen die regelmatig gegevens invoeren. Dat doen ze via platform hetvolk.org, waarop ze scans bekijken van registers uit archieven. Ze kijken naar registers vanaf 1865, want toen werd het verplicht om doodsoorzaken te registreren. Die registers zijn handgeschreven, dus de burgerwetenschappers ontcijferen die bronnen eigenlijk en maken ze digitaal toegankelijk. Ze noteren informatie over die doodsoorzaak, maar ook over het beroep van een persoon, het beroep van diens ouders en de plaats waar iemand woonde.

Maar we werken ook samen met gepensioneerde artsen. Zij ‘vertalen’ de medische termen uit de registers voor ons. Zo kom je bijvoorbeeld weleens de term ‘convulsies’ tegen, oftewel stuipen. Nu associëren we stuipen met koorts, maar dat is niet per definitie altijd zo geweest. Die oud-artsen bepalen dan wat er precies bedoeld werd met zo’n medische term in een bepaalde tijd. Soms weten ze dat uit eigen ervaring en soms moeten ze het zelf ook nog uitzoeken.’

Hoe vinden jullie deelnemers? 

‘Vooral via hetvolk.org zelf, maar ook via onze nieuwsbrief en via lokale media in de steden waar we onderzoek doen. En we organiseren vaak ook een lezing bij het archief in zo’n stad, waar dan weer mensen op af komen die daarna ook gaan meedoen. Veel mensen loggen maar één keer in op het platform of doen maar een weekje mee en stoppen daarna weer, maar ongeveer tien procent van de groep doet het meeste werk: zij zitten bijvoorbeeld elke week een paar uur archiefstukken te ontcijferen.’

Wat trekt deelnemers aan in dit project? 

‘Die ‘harde kern’ vindt het vaak echt leuk om zo te kunnen ‘puzzelen’ voor de wetenschap. Voor sommigen is het fijn om zich zo onderdeel te voelen van een groep. We zien elkaar een of twee keer per jaar ook fysiek, tijdens een bijeenkomst waar wij de recente uitkomsten van het onderzoek presenteren. Dat doen we vaak in een museum, waar ze dan ook een rondleiding krijgen en er is de hele dag catering. Dat laatste is ook belangrijk, zo laat je zien dat je de inzet van mensen echt waardeert. Deelnemers krijgen ook elk jaar een cadeautje met kerst.’

Waarom zijn de ‘citizens’ zo belangrijk voor dit project, los van het feit dat je veel mensen nodig hebt om de data te kunnen doorspitten? 

‘Deelnemers stellen veel vragen en hebben soms kennis die wij niet hebben. Zo kwamen we in Zwolle op een gegeven moment veel overlijdens tegen in een bepaalde straat. Een van de vrijwilligers wist toen te vertellen dat er in die straat een opvanghuis voor zieken had gestaan. Stadsbewoners kennen de buurten en situaties in een stad veel beter en komen dus soms met verklaringen waar we zelf niet op waren gekomen. Maar het is ook echt waar dat vele handen licht werk maken. Zonder die deelnemers was het onderzoek in Amsterdam bijvoorbeeld een tienjarenproject geworden.’

Welke tip zou je geven aan onderzoekers die ook iets met citizen science willen doen?

‘Neem voorbereidingstijd voordat je zomaar wat data online zet en mensen gaat vragen daarmee aan het werk te gaan. Je moet een goed plan hebben, bijvoorbeeld over hoe je contact met de deelnemers gaat onderhouden en hoeveel tijd je daaraan gaat besteden. Wij deden dat bijvoorbeeld met een nieuwsbrief, en later een blogpost die elke twee weken uitkwam, waarin mensen over het onderzoek konden lezen. Nu hebben we geen vaste medewerker meer die dat kan doen en dan merk je meteen dat het moeilijker is om deelnemers betrokken te houden.’

Ben je zelf onderzoeker en wil je meer weten over citizen science of hulp bij het opzetten van een citizen science-project? Neem contact op met het Expertisepunt Citizen Science van de Radboud Universiteit.

Contactinformatie

Thema
Geschiedenis, Wetenschap