In zijn proefschrift analyseert Hoeksema de techwereld vanuit het republikeinse vrijheidsbegrip. Dat houdt in dat vrijheid niet alleen betekent dat je met rust wordt gelaten, maar ook dat je vrij bent van ongecontroleerde machten die zich met jou kunnen bemoeien. ‘Mark Zuckerberg en Elon Musk roepen de laatste jaren steeds harder dat ze hun gebruikers vrijheid willen geven, dat er ruimte zou zijn voor alternatieve sprekers op hun platformen,’ legt Hoeksema uit. ‘Dat een platform zich niet meer met jou bemoeit, betekent echter niet per se dat je vrij bent.’
Arbitraire macht beperkt vrijheid
Hoeksema: ‘Je moet het zo zien: in Nederland zijn we vrije burgers omdat overheidsmacht, in beginsel, door onszelf wordt gecontroleerd. Dat is de kern van een democratische rechtsstaat. Hoewel er allerlei beperkingen gelden maakt dit beginsel dat je desondanks kunt spreken van vrije burgers. Maar als je vanuit datzelfde perspectief kijkt naar grote technologiebedrijven en de rol die zij spelen in onze samenleving, wordt al snel duidelijk dat zij veel niet-gecontroleerde macht hebben.’
Als Elon Musk een bepaald onderwerp niet zint, kan hij in principe gebruikers blokkeren of algoritmes sturen om die discussies minder zichtbaar te maken. De verdienmodellen van Meta bepalen voor een groot deel welke video’s en media online populair zijn, en hoe we daarover met elkaar communiceren. Google kan zoekresultaten beïnvloeden en bepaalt daarmee welke sites meer aandacht krijgen dan anderen. Hoeksema: ‘Met een republikeinse bril op, kun je zeker spreken van arbitraire macht die onze vrijheid onder druk zet.’
Ruimte voor tegenmacht
Toch ziet Hoeksema ook kansen om republikeinse vrijheid terug te winnen. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar de macht van techbedrijven nauwelijks wordt ingeperkt, ziet hij in Europa nog ruimte voor tegenmacht. ‘De Europese Unie positioneert zich steeds nadrukkelijker als een partij die wil dat normen en waarden een rol spelen in de digitale wereld,’ zegt hij. ‘Wel ligt de focus nog vaak op het voorkomen dat techbedrijven te groot worden, en op het beschermen van de rechten van consumenten. Zo’n cookiewet is bijvoorbeeld ook belangrijk geweest, maar eigenlijk moet je ook het onderliggende systeem aanpakken, om digitale dominantie door bedrijven te voorkomen. Daar kan Europese Unie nog veel winnnen.’
Hoeksema pleit voor substantiële investeringen in een publieke digitale infrastructuur en in de ‘digital commons’—een gemeenschappelijke digitale ruimte. Dat moet resulteren in sociale netwerken en online communicatiemiddelen die niet door een handjevol bestuurders en investeerders aangestuurd worden, maar die zich vrij kunnen ontwikkelen op basis van de daadwerkelijke behoeftes van burgers en Europese normen en waarden.
Wat kan je als burger zelf doen?
Daar heeft de burger zelf ook een belangrijke rol in, legt Hoeksema uit. ‘We kunnen niet boos worden op Meta omdat ze onze gegevens gebruiken, en vervolgens blijven appen via hun diensten.’ In zijn proefschrift pleit hij voor een herwaardering van digitaal burgerschap: burgers zouden zich niet alleen als consumenten moeten gedragen, maar ook als verantwoordelijke deelnemers aan de digitale samenleving. ‘Het vraagt iets van ons allemaal: bewust kiezen voor alternatieven, zelfs als die in eerste instantie minder voor de hand liggen. Alleen dan kunnen we, in combinatie met structurele hervormingen, echt invloed uitoefenen op hoe onze digitale wereld eruitziet.’