Koningin Wilhelmina leest de Troonrede voor, geflankeerd door prinses Juliana en prins Bernhard, 20 november 1945
Koningin Wilhelmina leest de Troonrede voor, geflankeerd door prinses Juliana en prins Bernhard, 20 november 1945

Tachtig jaar geleden: de eerste naoorlogse Prinsjesdag

‘Leden der Staten-Generaal, Gevoelens van diepe bewogenheid mengen zich met die vreugde en erkentelijkheid nu ik na zes jaren van bittere scheiding weer in uw midden verschijn.’ Zo opende koningin Wilhelmina de troonrede van 20 november 1945 – nu tachtig jaar geleden.

Geschreven door Alexander van Kessel

Op die derde dinsdag van november in 1945 was koningin Wilhelmina van paleis Noordeinde naar de Ridderzaal gereden met een auto, niet met de Gouden Koets. De voor Prinsjesdag gebruikelijke begeleiding door militairen te paard was vervangen door een viertal gemotoriseerde voormalige officieren van de Binnenlandse Strijdkrachten. Ook de ambtskostuums van de ministers, parlementsleden en staatsraden ontbraken. Hiermee werd de soberheid uitgedrukt van de eerste officiële gelegenheid sinds de Bevrijding. Oorlog en bezetting lagen nog vers in het geheugen.[1]

In de Ridderzaal waren de beide Kamers der Staten-Generaal bijeengekomen. De Verenigde Vergadering werd voorgezeten door de stokoude voorzitter van de Eerste Kamer, W.L. baron de Vos van Steenwijk (CHU). Geflankeerd door kroonprinses Juliana en prins Bernhard las koningin Wilhelmina de door het kabinet-Schermerhorn-Drees opgestelde tekst voor.[2] Na afloop van de troonrede bracht ARP-Tweede Kamerlid L.F. Duymaer van Twist het gebruikelijke huldeblijk aan de koningin (‘Leve de Koningin’ – gevolgd door een driewerf ‘hoera!’ door alle aanwezigen), zoals hij dat ook in de jaren tussen de oorlogen jaren had gedaan.[3] Het was de laatste keer: Duymaer van Twist – nog steeds het Tweede Kamerlid met de meeste dienstjaren (45!) uit de parlementaire geschiedenis – keerde na de verkiezingen van mei 1946 niet terug, vervolgens werd het gebruik dat de hulde werd uitgeroepen door de voorzitter van de Verenigde Vergadering.

Het kabinet-Schermerhorn-Drees luistert naar de Troonrede. Geheel rechts, op de verhoging, zit Eerste Kamervoorzitter W.L. baron de Vos van Steenwijk

Opening Voorlopige Staten-Generaal

Prinsjesdag 1945 was tevens de opening van de zitting van de ‘Voorlopige Staten-Generaal’. Dat was feitelijk de tweede stap in het herstel van de parlementaire democratie. De eerste stap was gezet op 25 september 1945, toen de van de lichting ‘mei 1940’ overgebleven Kamerleden bijeenkwamen in de Oude Zaal als de ‘Tijdelijke Tweede Kamer’. De Tijdelijke Eerste Kamer zou op 18 oktober voor het eerst bijeenkomen.[4]

In het najaar hadden kabinet en Tijdelijke Kamers zich gebogen over de invulling van de vacatures. Door overlijden, terugtreding (al dan niet vrijwillig) en uitsluiting (vanwege het gedrag tijdens de bezetting) waren in de Tweede Kamer vanaf mei 1940 25 en in de Eerste Kamer 16 vacatures ontstaan. Die moesten worden opgevuld met ‘frisse leden’ en ‘nieuwe figuren’, bij voorkeur afkomstig uit de illegaliteit en de doorbraakbeweging. Uiteindelijk werden de meeste lege zetels ingenomen door leden van de partijen die al in het parlement zitting hadden. Het vooroorlogse partijbestel bleek hardnekkig. Slechts de vier voormalige NSB-zetels werden ingevuld door onafhankelijke leden: één Indonesiër en drie vertegenwoordigers van de voormalige illegale pers, onder wie Frans Goedhart (redacteur van Het Parool, later PvdA).

Nieuwe Tweede Kamerleden die later bekendheid zouden krijgen waren Wim de Kort (RKSP, later KVP-fractievoorzitter), Henk Hofstra en Jaap Burger (SDAP), Jan Smallenbroek (ARP), jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen (CHU), Henk Korthals (Liberale Staatspartij) en Gerben Wagenaar en Paul de Groot (CPN). De nieuwe leden werden beëdigd nadat het koninklijke gezelschap het Binnenhof weer had verlaten en beide Kamers hun eigen plenaire vergaderzaal hadden opgezocht.[5]

Koningin Wilhelmina verlaat de Ridderzaal en stapt in de auto na het voorlezen van de Troonrede

Herstel relatie parlement-kabinet 

De Voorlopige Staten-Generaal beschikte (in tegenstelling tot de Tijdelijke) dan wel formeel over alle gebruikelijke grondwettelijke bevoegdheden, maar dat wilde niet zeggen dat haar positie volledig hersteld was. Er lagen nauwelijks wetsvoorstellen (het kabinet regeerde bij voorkeur via staatsnoodrecht), en er lag ook geen rijksbegroting ter behandeling. Het ambitieuze kabinet-Schermerhorn-Drees (het kabinet van ‘herstel en vernieuwing’) had en nam de ruimte.

De derde en laatste stap in het herstel van de parlementaire democratie zou op 24 mei 1946 worden gezet met de eerste naoorlogse Tweede Kamerverkiezingen. Het mandaat van de ‘oude’, in 1937 gekozen Tweede Kamer was immers al in 1941 verlopen. Ruim een maand na de verkiezingen trad vervolgens het kabinet-Beel aan, een coalitiekabinet van KVP en PvdA – de twee grootste partijen. Daarmee waren, ruim een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en meer dan zes jaar na de Duitse inval, de parlementair-democratische verhoudingen hersteld.

Literatuurverwijzing

[1] Zie o.a. De Tijd en Bredasche Courant, 21 november 1945.

[2] F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet-Schermerhorn-Drees 24 juni 1945-3 juli 1946 (Assen/Amsterdam 1977) p. 129 en 188-189 (n. 82). Voor de Troonrede zie ook: E. van Raalte (red.), Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes 1814-1963 (’s-Gravenhage 1964) p. xxxvi-xxxix en 262-266.

[3] Over deze traditie: de Volkskrant, 8 november 1935.

[4] Carla Hoetink m.m.v. Alexander van Kessel, Terug naar het Binnenhof. De Tweede Kamer in ere hersteld: 1945 (Amsterdam 2020); Laurens Dragstra, Oorlogslichting. Senatoren in de periode 1937-1946 (Den Haag 2020).

[5] Handelingen II 1945/46, 20 november 1945, p. 3-5; Handelingen I 1945/46, 20 november 1945, p. 3-4. Voor een verslag zie bijv. de Volkskrant, 21 november 1945.

Contactinformatie