Geschreven door Alexander van Kessel
Op die derde dinsdag van november in 1945 was koningin Wilhelmina van paleis Noordeinde naar de Ridderzaal gereden met een auto, niet met de Gouden Koets. De voor Prinsjesdag gebruikelijke begeleiding door militairen te paard was vervangen door een viertal gemotoriseerde voormalige officieren van de Binnenlandse Strijdkrachten. Ook de ambtskostuums van de ministers, parlementsleden en staatsraden ontbraken. Hiermee werd de soberheid uitgedrukt van de eerste officiële gelegenheid sinds de Bevrijding. Oorlog en bezetting lagen nog vers in het geheugen.[1]
In de Ridderzaal waren de beide Kamers der Staten-Generaal bijeengekomen. De Verenigde Vergadering werd voorgezeten door de stokoude voorzitter van de Eerste Kamer, W.L. baron de Vos van Steenwijk (CHU). Geflankeerd door kroonprinses Juliana en prins Bernhard las koningin Wilhelmina de door het kabinet-Schermerhorn-Drees opgestelde tekst voor.[2] Na afloop van de troonrede bracht ARP-Tweede Kamerlid L.F. Duymaer van Twist het gebruikelijke huldeblijk aan de koningin (‘Leve de Koningin’ – gevolgd door een driewerf ‘hoera!’ door alle aanwezigen), zoals hij dat ook in de jaren tussen de oorlogen jaren had gedaan.[3] Het was de laatste keer: Duymaer van Twist – nog steeds het Tweede Kamerlid met de meeste dienstjaren (45!) uit de parlementaire geschiedenis – keerde na de verkiezingen van mei 1946 niet terug, vervolgens werd het gebruik dat de hulde werd uitgeroepen door de voorzitter van de Verenigde Vergadering.