'Tuchtrecht voor gezondheidszorg nog steeds ontoegankelijk voor veel klagers'

De effectiviteit van het wettelijke tuchtrecht voor de gezondheidszorg ligt al geruime tijd onder vuur. Er zijn zorgen over de toegankelijkheid en het sluit onvoldoende aan op de huidige structuur van de zorg. Caressa Bol liep ruim vierduizend uitspraken van het tuchtrecht na en doet op basis daarvan enkele aanbevelingen om dit effectiever te laten functioneren. Ze promoveert op 23 april aan de Radboud Universiteit.

Het wettelijk tuchtrecht voor de gezondheidszorg is bedoeld om de kwaliteit van medische zorg te bewaken en bevorderen. Het stelt klagers in staat om dokters, verpleegkundigen en andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg voor de tuchtrechter te krijgen en hen verantwoordelijk te stellen bij tekortkomingen in de zorgverlening. Hoewel er jaarlijks miljoenen medische handelingen plaatsvinden in Nederland, behandelt de tuchtrechter hooguit tweeduizend zaken per jaar. Ongeveer twee derde daarvan wordt bovendien niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard, zogenaamde ‘bagatelklachten’ die niet in behandeling worden genomen. 

In 2019 deed de wetgever al enkele aanpassingen in het tuchtrecht. Zo werden er tuchtklachtfunctionarissen in het leven geroepen om de klager te adviseren en ondersteunen bij het opstellen van zijn klacht. Daarnaast werd het voor de voorzitter van het tuchtcollege mogelijk om klachten van onvoldoende gewicht zelf af te doen. Ook werd griffierecht ingevoerd, wat betekende dat elke klager 50 euro moest betalen om een zaak in te dienen. Deze aanpassingen waren gericht op het terugdringen van de ‘bagatelklachten’. Volgens Bol gaan deze aanpassingen echter niet ver genoeg.

Vervolgingsmonopolie voor Inspectie

Zo pleit ze voor een systeem waarbij niet individuele patiënten, maar de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd het vervolgingsmonopolie krijgt. Bol: ‘Een van de problemen van het huidige systeem is dat patiënten eigenlijk onvoldoende toegerust zijn om op te treden als klager. Zeker in complexe zaken waar er duidelijke signalen zijn van tekortkomingen in de kwaliteit van zorg is dat een probleem. Patiënten missen veelal de kennis om de medische problematiek goed te doorgronden en een klacht te formuleren. Daar komt bij dat veel patiënten zichzelf vertegenwoordigen en geen gebruik maken van juridische bijstand. Uit mijn onderzoek blijkt dat klachten die afkomstig zijn van de Inspectie meer effect hebben dan klachten van burgers. De Inspectie is, als toezichthouder op de kwaliteit van zorg veel beter toegerust om op te treden als klager.’

‘Vergelijk het met het strafrecht. Als er nu iemand bij me inbreekt, doe ik aangifte bij de politie en start het Openbaar Ministerie een procedure. Ik hoef mijn aanklacht niet zelf te formuleren en bewijsvoering te leveren voor de rechtbank. Ik pleit voor een, tot op zekere hoogte, vergelijkbaar systeem, waarbij de individuele klager zich met zijn klacht wendt tot de Inspectie, de Inspectie de zaak vervolgens in behandeling neemt én besluit of de klacht aan de tuchtrechter voorgelegd moet worden. Alleen de zaken die écht in het tuchtrecht thuishoren komen zo bij de tuchtrechter terecht’

Inconsistente oordelen

Bol baseert haar aanbevelingen deels op een grootschalig jurisprudentieonderzoek. Daarvoor liep ze enkele duizenden zaken en uitspraken van het tuchtrecht na. ‘Alle uitspraken die beschikbaar waren vanaf de inwerkingtreding van de Wet BIG, en relateerden aan de kern van mijn onderzoek, heb ik geanalyseerd. Daarbij keek ik bijvoorbeeld naar de soort zaken die behandeld werden, de motivering van de tuchtrechter en de getroffen maatregelen, om te kijken of daar verbanden in te vinden zijn.’

Een van de problemen die daarbij regelmatig opdook was inconsistentie in de oordelen. Bol: ‘We kennen in Nederland vijf regionale tuchtcolleges en één centraal college. Die oordeelden in vergelijkbare zaken over vergelijkbare onderwerpen lang niet altijd volgens dezelfde lijn. Zo werden in zaken over de vraag of een arts, die tevens bestuurder is van een ziekenhuis, onder het tuchtrecht valt bij het ene tuchtcollege anders geoordeeld dan het andere. Dit terwijl de zaken inhoudelijk vergelijkbaar waren. Dat is onwenselijk. Voor het functioneren van het tuchtrecht is heldere normstelling door de tuchtrechter van groot belang. Als daar niet aan wordt voldaan weten beroepsbeoefenaren niet goed waar zij aan toe zijn.’

Zorgprofessionals in onzekere positie

Voorbeelden daarvan zijn te vinden in zaken rondom kindermishandeling. ‘Vroeger was het uitgangspunt daarin ‘zwijgen, tenzij’: zorgprofessionals mochten hun beroepsgeheim alleen bij hoge uitzonderingen breken. Later verschoof dit naar ‘spreken, tenzij’ en mag het beroepsgeheim eerder doorbroken worden,’ legt Bol uit. ‘Maar toen dat zwaartepunt begon te verschuiven, werd er door de verschillende tuchtrechters heel wisselend beoordeeld of het beroepsgeheim wel doorbroken mocht worden. Dat plaatste zorgprofessionals in een onzekere positie.’

Meer weten? Neem contact op met

  • Caressa Bol, bol [at] eshpm.eur.nl
  • Persvoorlichting & wetenschapscommunicatie Radboud Universiteit, media [at] ru.nl, 024 361 6000

Aan deze website wordt nog gewerkt. Meer informatie: 'een nieuwe website'.