De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), de voorloper van de huidige AIVD, ontstond in 1949. Maar de eerste geheime dienst in Nederland ontstond eigenlijk al aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Lang was weinig bekend over deze eerste geheime dienst van ons land. In Uiterst Vertrouwelijk reflecteren Jansen, Jacobs en andere experts uit de wetenschap en uit het werkveld op die vroege periode, om telkens de lijn door te trekken naar de moderne veiligheidsdiensten en hoe die tegenwoordig in de samenleving staan.
Zo duikt Bart Jacobs met Florentijn van Kampen in enkele opvallende ontdekkingen van Nederlandse cryptografen tijdens de Eerste Wereldoorlog, en schetst Beatrice de Graaf een voorgeschiedenis van nationale terrorismebestrijding. Laura Brinkhorst en Marieke Oprel leggen de focus op de geheime diensten van koloniaal Nederlands-Indië. In andere hoofdstukken komen onder meer de rol van inlichtingendiensten in de samenleving, de milde acceptatie binnen de dienst van de vooroorlogse nationaalsocialistische ideologie en de vroege maar onvermijdelijke politisering van de geheime dienst voorbij.
Rapport-De Meijer
Uiterst Vertrouwelijk is gebaseerd op het rapport-De Meijer, een bijzondere bron. De auteurs noemen het ‘een ware historische sensatie, (...) een geschiedschrijving, bronnenpublicatie, archieftoegang, inventarisatie van data en feiten en persoonlijke bespiegeling in één.’ De auteur, Marius de Meijer was vanaf 1933 bij de vroege inlichtingendienst betrokken, en besloot bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog talloze gevoelige documenten – die eigenlijk vernietigd moesten worden – te begraven in een ijzeren kist in zijn achtertuin. Toen De Meijer na de oorlog in dienst trad van de BVD, werden de documenten overgedragen aan de nieuwe geheime dienst. Vervolgens kreeg De Meijer zelf de kans om, vlak voor zijn pensioen in 1968, ‘een poging tot geschiedschrijving’ te doen op basis van deze en andere documenten.