Misschien denk je bij tweetalig onderwijs vooral aan middelbare scholen. Maar ook sommige basisscholen beginnen er al vroeg mee. Het leek de Nederlandse overheid in 2014 een waardevol experiment om de Engelse onderwijstijd op een aantal basisscholen te verruimen van het wettelijk maximum van 15%naar 50%. Zeventien basisscholen deden aan deze tien jaar durende pilot mee. ‘Daarbij was het belangrijk om te meten hoe die tweetalige ontwikkeling bij de jongste kinderen zou verlopen, omdat bij hen ook de eerste taal nog volop in ontwikkeling is’, vertelt Hedi Kwakkel, die als leerkracht werkt op één van de zeventien pilot-scholen: Jenaplanschool De Lanteerne in Nijmegen.
Uniek experiment op basisscholen: wat zijn de succesfactoren bij tweetalig onderwijs?
Tien jaar lang deden zeventien basisscholen in Nederland iets bijzonders: ze boden hun onderwijs vanaf de kleuterklassen voor de helft van de tijd aan in het Nederlands, de andere helft in het Engels. Leerkracht en orthopedagoog Hedi Kwakkel volgde deze pilot voor haar promotieonderzoek op de voet en kwam tot opvallende inzichten. ‘Ik wilde weten wat er tijdens die tweetalige ontwikkeling bij de kinderen precies in hun hoofden gebeurde.’
Executieve functietaken
Naast lesgeven deed Kwakkel, als buitenpromovendus aan de Radboud Universiteit, onderzoek naar de tweetalige ontwikkeling van leerlingen in groep 2 tot en met 5. Dat deed ze op vier van de zeventien pilot-scholen (waaronder haar eigen school), bij kinderen van 5 tot en met 9 jaar. ‘De ontwikkeling van het Engels is in die leeftijdsfase nog moeilijk te meten: die loopt namelijk achter de Nederlandse taalontwikkeling aan’, legt ze uit. ‘Schrijven en lezen in het Engels doen leerlingen dan nog nauwelijks, Engels spreken ze af en toe – nog niet spontaan. Toch is de Engelse taalontwikkeling dan al volop gaande. Dat blijkt pas als ze iets ouder zijn en ze het Engels lezen en schrijven onder de knie krijgen. Ik wilde weten wat er tijdens die tweetalige ontwikkeling bij de jongste kinderen precies in hun hoofden gebeurde.’
Kwakkel onderzocht welke kind- en omgevingsfactoren een gebalanceerde tweetalige ontwikkeling beïnvloeden. Hiervoor volgde ze de leerlingen op vier pilot-scholen enkele jaren, om ze elk jaar te onderwerpen aan een aantal opdrachten. ‘Zo ging het in de kleuterfase om executieve functietaken’, legt ze uit. ‘Dan gaf ik de kinderen de opdracht in het Engels om bijvoorbeeld hun eigen hoofd, schouders of tenen aan te raken. Met die taken valt spelenderwijs te variëren, door vervolgens in het Engels te verzoeken: ‘Als ik straks vraag om je hoofd aan te raken, raak dan je tenen aan.’ Op die manier kun je de gedragsinhibitie bij de jongste leerlingen meten.’
Ouders en leerkrachten
Ook deed Kwakkel jaarlijks bij de leerlingen metingen op het gebied van woordenschat en fonologisch bewustzijn, gericht op klanken. Daarnaast bevroeg ze ouders en leerkrachten naar activiteiten die ze thuis en in de klas uitvoerden om de tweetalige ontwikkeling bij de kinderen te stimuleren. Daarbij deed ze een opvallende constatering. ‘Ik ontdekte dat de verwachtingen van leerkrachten vooral samen hingen met de Nederlandse taalontwikkeling, terwijl de voorspellingen van ouders meer in verband met de Engelse taalontwikkeling stonden. Persoonlijk had ik dat andersom verwacht, omdat leerkrachten in de klas veel Engels hanteren en kinderen thuis voornamelijk Nederlands spreken. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat ouders voor hun kinderen een bewuste keuze voor tweetalig onderwijs gemaakt hebben en daardoor ook thuis veel aandacht aan de Engelse taalontwikkeling besteden.’
Een andere succesfactor voor de tweetalige ontwikkeling is volgens Kwakkel - naast de verwachtingen van de thuisomgeving - de mate waarin kinderen het minimale verschil kunnen leren tussen klanken. ‘Neem bijvoorbeeld in het Nederlands de woorden beer en peer. Het verschil zit in de eerste letters, die bijna hetzelfde klinken. Uit mijn onderzoek blijkt dat hoe beter jonge kinderen zulke klankafwijkingen en woordbetekenissen onderscheiden, des te beter ze op latere leeftijd zijn in begrijpend lezen. Die vaardigheid is taaloverstijgend.’
Kwakkel kan de resultaten van haar onderzoek op de vier pilot-scholen vergelijken met een controlegroep, aangezien die scholen tijdens de pilotperiode naast tweetalig onderwijs ook nog over een afdeling met enkel Nederlands onderwijs beschikten. ‘De kinderen laten geen verschil zien in Nederlandse taalontwikkeling, of ze nu eentalig of tweetalig onderwijs volgen’, vertelt ze. Of en hoe de resultaten van haar onderzoek in de toekomst gebruikt kunnen worden, hangt af van de vraag of de overheid de voorgestelde wetswijziging doorvoert om volledig tweetalig basisonderwijs mogelijk te maken. Gaat dat door, dan hoopt Kwakkel dat leerkrachten uitkomsten van haar onderzoek gebruiken. ‘Het kan met name helpen als ze spelenderwijs aandacht aan klanken en bijvoorbeeld rijmen besteden. En dat ze zich bewust zijn van hun eigen verwachtingen en die van ouders, vooral omdat de betrokkenheid van ouders een positief effect kan hebben. Want een rijke taalomgeving thuis, heeft invloed op de tweetalige ontwikkeling van kinderen.’
Op de hoogte blijven van ons onderzoeksnieuws?
Volg ons op Instagram: @radboud.onderzoek
Foto: Adam Winger via Unsplash
Contactinformatie
- Organisatieonderdeel
- Faculteit der Sociale Wetenschappen, Pedagogische Wetenschappen en Onderwijswetenschappen
- Thema
- Onderwijs, Taal