Regionaal archief
Regionaal archief

Volendamse straatnaam wordt aangepast naar aanleiding van onderzoek naar gemeentebestuur in oorlogstijd

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Joodse huiseigenaren op grote schaal onteigend door de bezetter. Hoe Nederlandse gemeentebesturen daarmee na de bevrijding omgingen verschilt. Radboud-historici deden ruim vier jaar, in opdracht van ongeveer vijftig gemeenten, onderzoek naar het handelen van gemeentebestuurders tijdens en vlak na de oorlog. Dat leidde in Volendam zelfs tot een nieuwe straatnaam. ‘Deze burgemeester verdient geen eerbetoon.’

‘Toen we aan dit onderzoek begonnen kenden we al de ontluisterende verhalen uit bijvoorbeeld Amsterdam en Den Haag, waar stadsbesturen na de oorlog nabestaanden belasting lieten betalen over de huizen van hun vermoorde Joodse familie,’ aldus projectleider Wim van Meurs. ‘We waren dus op alles voorbereid. Maar uit ons onderzoek bleek dat misstanden van deze orde eigenlijk amper voorkwamen in middelgrote en kleine gemeenten.’ 

Dat wil niet zeggen dat die gemeenten hun Joodse inwoners goed behandelden, benadrukt de historicus. ‘Wat blijft staan is dat besturen na de oorlog nergens uitzonderingen wilden maken voor Joodse slachtoffers, bijvoorbeeld door hen voorrang te geven bij het toewijzen van woningen. Daarmee gaan ze voorbij aan het feit dat deze groep veel meer geleden had dan andere groepen.’ Veel Joodse huizen werden tijdens de oorlog door de Duitse bezetter geroofd. Sommige Nederlandse gemeenten kochten in de oorlogsjaren dit soort panden zelfs aan wanneer de bezetter ze aanbood. Van Meurs: ‘Hier lijken bestuurders nergens echt principieel op tegen te zijn geweest.’ 

Huis voor nabestaanden

De meeste onteigende huizen (ruim negentig procent) werden uiteindelijk wel teruggegeven aan eigenaren of hun nabestaanden in de eerste tien jaar na de oorlog. ‘Maar voor Joodse families die ergens wilden wonen na hun terugkeer, was elke maand die dat duurde er natuurlijk een te veel.’

De onderzoekers zagen in archieven dat niet altijd duidelijk was wie er recht had op het onteigende vastgoed. Van Meurs: ‘Er moest een lange bureaucratische weg bewandeld worden. Soms claimde iemand jaren na de oorlog recht te hebben op een bepaald huis, maar had de gemeente dat al teruggegeven aan een andere tak van de familie van een overledene. Bovendien waren er van mensen die in kampen waren omgekomen geen overlijdensaktes, die nodig waren om een huis te kunnen doorgeven.’ Dankzij het Rode Kruis kwamen die aktes er wel aan het eind van de jaren veertig. 

Voor nabestaanden is het onderzoek vaak heel waardevol, vertelt van Meurs. ‘Vooral omdat dit stuk onrecht dat Joodse Nederlanders is aangedaan nu goed gedocumenteerd wordt. Al is het in sommige gevallen ook pijnlijk als het onderzoek niet klopt met het verhaal dat jarenlang in de familie verteld is, zoals wanneer blijkt dat een huis wel in de jaren veertig al is teruggegeven, maar dan aan een andere tak van de familie.’

Van Baarstraat

Verschillende gemeenten namen naar aanleiding van het onderzoek maatregelen om de Joodse gemeenschap tegemoet te komen, bijvoorbeeld door te investeren in het Joodse leven in hun stad. In Volendam leidde het onderzoek tot een nieuwe straatnaam voor de Burgemeester van Baarstraat. Die straat was vernoemd naar een burgemeester in oorlogstijd. Van Meurs: ‘Hij was geen nsb’er, maar was eigenlijk zoals negentig procent van de bestuurders in oorlogstijd: hij deed weinig tot niets om Joodse burgers te beschermen. Het gemeentebestuur van Edam-Volendam zag zich gedwongen om mee te werken aan de Jodenvervolging. Uit Edam werden 22 Joodse inwoners gedeporteerd.’

Veel burgemeesters handelden zoals Van Baar. ‘Als je niet meewerkte aan zo’n verzoek tot deportatie werd je vaak ontslagen’, aldus Van Meurs. ‘Maar in elk geval is er bij deze burgemeester weinig reden voor een eerbetoon in de vorm van een straatnaam.’ Ook omdat hij persoonlijk een financieel belang had in bedrijven die voor de bezetter produceerden en als een van de weinige oorlogsburgemeesters voor economische collaboratie werd aangeklaagd.   

Het journalistieke onderzoeksplatform Pointer doet sinds 2020 een rondgang langs gemeenten in Nederland om vast te stellen waar Joods vastgoed is onteigend en doorverkocht. Volgens het platform zijn er na vijf jaar nog zes gemeenten over die geen onderzoek hebben laten doen, maar waar wel meer dan tien woningen onteigend zijn. In een van deze gemeenten, namelijk Hengelo, voeren Van Meurs en zijn collega’s het onderzoek nog uit.

Afbeelding: Nijmeegs straatbeeld (bron: Regionaal Archief)

Dit grote, meerjarige onderzoeksproject is binnenkort afgelopen, maar Radboud-historici blijven beschikbaar voor onderzoek rondom maatschappelijke vragen met een historische dimensie, zoals de Tweede Wereldoorlog of slavernij). Het team van Advies en Actualiteit onderzoekt in opdracht niet alleen vraagstukken van de omgang met een verder verleden, maar doet ook reconstructies van actuele beleidsvragen voor de afgelopen 10-20 jaar. 

Contactinformatie

Meer weten? Neem contact op met de onderzoeker zelf of met Persvoorlichting & Wetenschapscommunicatie via 024 361 6000 of media [at] ru.nl (media[at]ru[dot]nl). 

Thema
Geschiedenis