Is het eerlijk: kinderen met een visuele beperking telkens in onderzoeken vergelijken met goedziende leeftijdsgenoten? Het gebeurde tot dusver volop, zoals bij metingen van motorische en taal- of rekenvaardigheden. ‘Die onderzoeken benadrukken vooral dat deze kinderen zich mogelijk anders ontwikkelen, niet hoé zij zich ontwikkelen’, legt Carlijn Veldhorst uit. Met haar promotieonderzoek binnen de afdeling Pedagogiek en Onderwijs aan de Radboud Universiteit richtte zij zich daarom uitsluitend op de ontwikkeling van kinderen met een visuele beperking, zonder hen te vergelijken met kinderen die wel goed kunnen zien. ‘Want vergelijken heeft niet altijd zin’, vertelt ze. ‘We kunnen hun visuele beperking helaas niet wegnemen. Vandaar dat dit onderzoek focuste op hun eigen ontwikkeling, om meer inzicht in hun levensloop te krijgen.’
Veldhorst volgde twee tot drie jaar intensief de levens van kinderen met een visuele beperking, verdeeld in verschillende leeftijdsgroepen: peuters en tieners. In tegenstelling tot bestaande onderzoeken, keek ze niet enkel naar de ontwikkeling van hun vaardigheden en competenties. ‘Want er zijn meer factoren die bepalen of blinde en slechtziende kinderen kunnen meedraaien in de maatschappij’, zegt ze. ‘Denk aan de rol van ouders en leerkrachten. Maar ook aan hoe kinderen in hun vel zitten en of ze hun eigen voorkeuren kunnen aangeven. Allemaal factoren die ook aan participatie bijdragen.’