Twee scholieren bekijken een studieboek
Twee scholieren bekijken een studieboek

Waarom weerbare leerlingen belangrijk zijn voor de democratische rechtstaat

Lang verzette hij zich tegen overheidsinmenging in het onderwijs. Maar door de (geo)politieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren denkt Ben Vermeulen, afzwaaiend hoogleraar Onderwijsrecht, daar inmiddels genuanceerder over. Dat stelde hij in zijn afscheidsrede aan de Radboud Universiteit. ‘Ook ik ben naïef geweest.’

De discussie keert regelmatig terug: is grondwetartikel 23, over de vrijheid van onderwijs, nog van deze tijd? Vermeulen meent van wel. ‘We hebben er ons huidige diverse scholenaanbod aan te danken, dat ouders en leerlingen échte keuzevrijheid geeft’, legt hij uit. Het duale stelsel, waarin de overheid openbaar en bijzonder onderwijs gelijk bekostigt, heeft zich volgens hem bewezen. ‘Onze onderwijspluriformiteit beschermt minderheden en zorgt ervoor dat duizend bloemen kunnen bloeien, al kan het vrijheidsbeginsel soms botsen met het gelijkheidsbeginsel.’

Met dat laatste doelt Vermeulen op sommige orthodox-religieuze scholen die nog een richtinggebonden toelatingsbeleid voor leerlingen hanteren. ‘Die scholen hebben daartoe vrijheid, evenwel begrensd door grondrechten en anti-discriminatiewetgeving. In de praktijk betekent dit dat slechts een klein aantal orthodoxe scholen nog een richtinggebonden toelatingsbeleid kan voeren, al mogen ze op grond van de Algemene Wet Gelijke Behandeling geen leerlingen weigeren op wezenskenmerken, zoals seksuele oriëntatie. Dat levert een spanningsveld op, dat vaak zal leiden tot zelfselectie: orthodoxe ouders die weten dat hun kind het lastig krijgt op strengorthodoxe scholen, kiezen eerder voor een mildere religieuze onderwijsinstelling.’

Ondanks dit spanningsveld bepleit Vermeulen het behoud van vrijheden voor bijzondere scholen. ‘De overheid mag bij volledige onderwijsfinanciering eisen stellen aan het gemeenschappelijk curriculum – de verplichte vakken en eindtermen – maar scholen moeten vrij blijven hun eigen onderwijskleur te kiezen: de idealen die aan hun onderwijs ten grondslag liggen. Die vrijheid maakt ons onderwijs zo pluriform.’

Veranderd inzicht

Jarenlang vond Vermeulen dat de overheid zich verre moest houden van morele beïnvloeding via het onderwijs. In zijn afscheidsrede erkende hij dat zijn standpunt is verschoven. ‘Ik zie dat de democratische rechtstaat verzwakt, in Nederland en in Europa. Denk aan Hongarije en Rusland, maar ook aan Polen en Tsjechië. Lang dachten we dat die autoritaire regimes vanzelf zouden verdwijnen, maar daar ben ook ik naïef in geweest.’

Door zijn nieuwe inzicht is zijn visie op Europa eveneens veranderd. Waar Vermeulen vroeger euroscepticus was, pleit hij nu voor meer Europese samenwerking in het onderwijs. ‘De EU moet niet alleen economisch, maar ook normatief sterk staan. De democratische rechtstaat is de kern van onze vrijheid, en die staat onder druk.’

Vermeulen beschouwt de herverkiezing van Trump in de Verenigde Staten als een kantelpunt. ‘Zijn minachting voor de rechtsstaat, de vrije pers en internationale verdragen ondermijnt het geloof in democratische stabiliteit. Dat heeft ook grote impact op Europa. En dat maakt het legitiem dat de overheid onze rechtstaat actief wil beschermen. Een belangrijke plaats om dat te doen, is het onderwijs.’

Volgens Vermeulen kan de overheid via het onderwijs directe invloed uitoefenen op de aankomende generatie. ‘Door scholen te financieren, kan de overheid onderwijseisen stellen. Niet om te indoctrineren, maar om de basis van onze samenleving te beschermen. Als we de democratische rechtstaat verliezen, verliezen we onszelf.’

Burgerschapsvorming als fundament

Om leerlingen te laten bijdragen aan het behoud van de democratische rechtsstaat, is burgerschapsvorming volgens Vermeulen onmisbaar. ‘We dachten lang dat onze democratie vanzelfsprekend was, maar we zien nu hoe versplintering en ondermijning toenemen.’

De aangescherpte Wet Verduidelijking Burgerschapsopdracht uit 2021 beschouwt Vermeulen dan ook als een noodzakelijke stap. ‘De eerdere burgerschapswet uit 2006 was te vrijblijvend. De nieuwe wet schrijft voor dat leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtstaat niet alleen moeten kennen, maar zich in zekere mate ook eigen moeten maken. Dat is nodig om weerbaarder te worden. We voeren een ideologische strijd met landen als Rusland en China, en die speelt zich grotendeels online af. Jongeren moeten leren kritisch met informatie om te gaan, om manipulatie en desinformatie te weerstaan.’

Vooral de invloed van social media baart hem zorgen. ‘Ze verzwakken het concentratievermogen, verminderen het gevoel van geluk en maken jongeren vatbaarder voor indoctrinatie. Digitale weerbaarheid is dus ook onderdeel van burgerschapsvorming.’ 

Grenzen aan overheidsinvloed

Toch waarschuwt Vermeulen voor overheidsinmenging die te ver gaat. ‘Burgerschapsvorming mag nooit ontaarden in indoctrinatie. De overheid mag niet op de stoel van de leraar gaan zitten – dat tast de vrijheid van onderwijs aan. Het onderwijs moet dialogischer worden, waarin leerlingen leren standpunten in te nemen en te verdedigen. Want dialoog is een opmaat naar moraliteit.’

Een belangrijk onderdeel van burgerschap is volgens Vermeulen het besef dat iedereen op een bepaalde manier tot een minderheid behoort. ‘Juist de ruimte voor verschillen maakt de democratische rechtstaat sterk. Toegegeven: binnen die ruimte kan het wringen en kunnen spanningen ontstaan tussen vrijheid en gelijkheid. Dat maakt de democratische rechtstaat lastig: het is voor iedereen prettig om te zeggen dat je de waarheid in pacht hebt. Maar we moeten voorkomen dat claims op ‘de’ waarheid zich vertalen in autocratische politiek.’

Foto via Freepik

Contactinformatie

Organisatieonderdeel
Faculteit der Rechtsgeleerdheid
Thema
Onderwijs, Politiek, Recht