Wat hebben hoogbegaafdheid en een kwantumcomputer gemeen?
In de literatuur is er veel aandacht voor het signaleren en ondersteunen van begaafdheid. Minder aandacht gaat uit naar ‘multipotentialiteit’: het hebben van meerdere talenten. Dit terwijl juist daar spanningen kunnen ontstaan. Multipotentials ervaren regelmatig keuzestress, bijvoorbeeld bij de keuze voor een studie of carrière. Er is te weinig tijd om alle talenten na te streven. En wie dat wel probeert, loopt een risico op uitputting, zowel fysiek als mentaal. Dat kan het welzijn schaden en zelfactualisatie belemmeren. In de literatuur lijken er hiaten te zijn tussen de concepten hoogbegaafdheid en multipotentialiteit en de vraag is: hoe deze hiaten te overbruggen?
Om die vraag te beantwoorden heeft Mathijssen de handen ineengeslagen met sterrenkundige Leon Houben. Door computerwetenschappen en sociale wetenschappen te combineren, proberen zij menselijk denken te omschrijven aan de hand van de verschillende manieren om problemen op te lossen, net zoals computers dat doen. Dit is niet nieuw, de computeranalogie wordt in populaire media veel gebruikt als metafoor voor (de hersenen van) mensen met kenmerken van begaafdheid. Wél nieuw is de vergelijking tussen iemands denkprocessen en die van een computer en in het bijzonder die van een kwantumcomputer. Binnen dat denkproces vinden er – net als bij multipotentialiteit – zo veel processen tegelijkertijd plaats, dat het niet altijd duidelijk is wat de precieze stappen voorafgaand aan de uiteindelijke oplossing zijn of waarom juist deze stappen zijn gezet.
Houben en Mathijssen werken momenteel aan een artikel waarin zij een kwantumcomputer als metafoor gebruiken voor multipotentialiteit. De bedoeling is dat dit artikel een analogie biedt die individuen (en eventueel andere betrokkenen) inzicht kan geven in de oorsprong van hun talenten en hen kan helpen bij het kiezen van welke talenten wel en niet te ontwikkelen in het licht van zelfactualisatie.
Onderzoek naar hoogbegaafdheid: appels en peren vergelijken
Dat hoogbegaafdheid nog altijd geen eenduidige definitie kent, is haast een cliché. We kunnen ons ook afvragen hoeveel er nu over bekend is. Een relevante vraag, want het kan betekenen dat belangrijke resultaten uit een onderzoek met een groep ‘hoogbegaafde mensen’ mogelijk niet van toepassing zijn op een andere groep mensen die evengoed ‘hoogbegaafd’ wordt genoemd. Als we het niet over hetzelfde hebben, wat weten we dan nu echt over hoogbegaafdheid?
Precies om dit probleem dook prof. Carol Carman (University of Texas Medical Branch) de literatuur in. Ze onderzocht in 104 onderzoeksartikelen gepubliceerd tussen 1995 en 2009 hoe onderzoekers hun hoogbegaafde en niet-hoogbegaafde participanten selecteerden. De methoden waren divers, variërend van selectie op basis van IQ (waarbij verschillende ondergrenzen werden aangehouden), tot leerkracht- of oudernominatie en deelname aan buitenschoolse activiteiten. Maar niet alles was even duidelijk; 11.5 procent van de onderzochte publicaties noemde de selectiemethode helemaal niet.
Kortom: onderzoekers hielden er verschillende selectiemethoden op na, maar deden wel allemaal uitspraken over hoogbegaafdheid in het algemeen. Volgens Carman is dit een probleem voor het wetenschappelijk veld, omdat het onderlinge vergelijking van onderzoeksbevindingen nagenoeg onmogelijk maakt. Als onderzoeken niet vergelijkbaar zijn, wordt de wetenschappelijke kennisbasis onstabiel. Omdat het formuleren van één definitie van hoogbegaafdheid waar iedereen het mee eens is vermoedelijk niet haalbaar is, riep ze onderzoekers op om in ieder geval duidelijk te zijn over hoe de participanten geselecteerd waren.
De vraag is nu: heeft het onderzoeksveld naar deze oproep geluisterd? Mathijssen en Carman doen nu, ongeveer 15 jaar na de oorspronkelijke analyse, samen een replicatiestudie om antwoord te geven op deze vraag. Er is in 15 jaar veel gepubliceerd, maar als het veld nog altijd bestaat uit onderzoeken die moeilijk onderling te vergelijken zijn, heeft dat grote gevolgen voor thema’s als diversiteit, gelijkheid, inclusie, signalering, professionalisering en de effectiviteit van (buitenschoolse) activiteiten en programma’s.
Het onderzoek is gepreregistreerd, wat inhoudt dat de onderzoekers niet van hun opzet af mogen wijken. De verzameling van alle bronnen gepubliceerd tussen 2010 en 1 april 2025 is inmiddels gedaan. Ruim 8.600 artikelen zijn beoordeeld op bruikbaarheid op basis van de titel en de samenvatting. Daarvan bleven ruim mogelijk bruikbare 2.650 artikelen over. Deze worden nu inhoudelijk gelezen om na te gaan of ze echt bruikbaar zijn voor dit onderzoek. Daarvan blijven er vermoedelijk een paarhonderd over die werkelijk gebruikt kunnen worden om te bepalen of we nog steeds appels met peren aan het vergelijken zijn. De bedoeling is in 2026 de bevindingen te kunnen delen.
Wil je op de hoogte blijven van deze en andere onderzoeken? Houd de LinkedIn pagina van het RCSW in de gaten!
Benieuwd naar het onderwijsaanbod voor professionals op het gebied van hoogbegaafdheid?
Bekijk de opleidingen en cursussen
En wil je meer informatie of als school deelnemen aan het onderzoek van Sven Mathijssen en Astrid Menninga? Neem dan contact op met Astrid Menninga (a.menninga [at] rug.nl (a[dot]menninga[at]rug[dot]nl)).
Foto bovenaan: Markus Spiske via Unsplash. Foto Sven Mathijssen door Anneleen Olbrechts