Wanneer we als volwassenen met elkaar in gesprek zijn, voorspellen we voortdurend wanneer de ander klaar is met praten én of er dan van ons een antwoord wordt verwacht. Zo voorkomen we dat er lange, ongemakkelijke stiltes vallen of dat we door de ander heen praten. Nieuw onderzoek van Imme Lammertink en collega’s laat zien dat kinderen vanaf twee jaar al talige aanwijzingen gebruiken om te voorspellen wiens beurt het is om te praten. ‘Blijkbaar lukt het kinderen ook zonder dat zij volledige zinnen begrijpen al wel om beurtwisselingen te voorspellen’, zegt Lammertink.
Ben jij aan de beurt?
Bij vragende zinnen staat het werkwoord vaak vooraan in de zin (‘mag jij ze buiten zetten?’) en wordt vaker ‘jij’ gebruikt dan ‘ik’ (‘zal ik ze dan buiten laten?’). De onderzoekers lieten kinderen naar een animatie kijken van twee poppetjes die met elkaar in gesprek zijn, waarbij de oogbewegingen van de kinderen werden gemeten. ‘We onderzochten of kinderen al naar het andere poppetje keken voordat het sprekende poppetje klaar was met praten. Als kinderen dat deden, dan voorspelden ze dat er een beurtwisseling plaats ging vinden’, legt Lammertink uit. Peuters bleken meer voorspellende oogbewegingen te maken voor vragen met “jij” dan vragen met “ik”. Peuters hebben dus al door dat na vragen met ‘jij’ vaker iemand anders aan het woord komt dan na vragen met ‘ik’.
De onderzoekers zagen ook dat het aantal voorspellende oogbewegingen van kinderen toeneemt met de leeftijd. ‘Eénjarige kinderen bleken de signalen niet op te vangen, maar vanaf twee jaar gaan kinderen steeds beter voorspellen: 4-jarigen voorspellen weer meer dan 2-, en 3-jarigen.’
Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis
Het gebruik van deze talige aanwijzingen hangt samen met taalvaardigheid. Daarom werd tevens onderzocht of kinderen, bij wie een vermoeden is van een taalontwikkelingsstoornis (TOS), ook beurtwisselingen kunnen voorspellen. Lammertink: ‘Kinderen met TOS hebben veel moeite met taal. Ze beginnen vaak laat met praten, begrijpen anderen minder goed, zijn soms moeilijk te verstaan en maken korte zinnen. Maar onze studie liet zien dat 3-jarigen met TOS, net als hun leeftijdsgenoten zonder TOS, beurtwisselingen voorspellen’.
Kinderen met TOS waren wel langzamer in hun voorspellingen dan hun leeftijdsgenoten zonder TOS. Dat kan verklaren waarom kinderen met TOS in een gesprek soms wat trager reageren.
Het onderzoek laat zien dat kinderen met TOS begrijpen wanneer ze aan de beurt zijn om te praten. Ook snappen ze dat er op vraagzinnen een antwoord volgt. ‘Door deze kinderen meer vragen te stellen, leer je ze om van beurt te wisselen’, stelt de taalwetenschapper. ‘Het helpt om deze vraagzinnen te beginnen met een werkwoord en het persoonlijke voornaamwoord jij te gebruiken. Zo vangen ze sneller het signaal op dat er een antwoord van hen wordt verwacht.’