Zeven eeuwen Nederlandse namen voor paddenstoelen

Waarom heet de paddenstoel ‘paddenstoel’? En uit welke tijd stamt de oudste Nederlandse naam voor een paddenstoel? Kende men in vroeger eeuwen paddenstoelen? Op 23 september promoveert classica Anneke van der Putte aan de Radboud Universiteit op een cultuurgeschiedenis van de naamgeving van paddenstoelen.

Zeven eeuwen Nederlandse namen voor paddenstoelen
‘De paddenstoelen verdienen de aandacht meer dan ik’, zegt classica Anneke van der Putte. Ze is niet alleen gespecialiseerd in de historische naamgeving van paddenstoelen, ze is ook amateur-mycoloog (‘paddenstoelkundige’), en weet hoe belangrijk paddenstoelen zijn voor de natuur. ‘Samen met bacteriën zijn ze verantwoordelijk voor de biologische afbraak in de natuur. Zonder hen zouden we het niet lang volhouden als mensen.’

Behalve dat Van der Putte dus graag de natuur in gaat, zit haar grootste interesse voor paddenstoelen in de boeken, om precies te zijn oude botanische boeken, woordenboeken en encyclopedieën. Ze kijkt naar hoe paddenstoelen daar beschreven worden, wat voor namen ze krijgen en hoe mensen ze gebruikten. Met haar proefschrift is Van der Putte de eerste die zo’n uitputtende cultuurgeschiedenis schrijft van paddenstoelen en hun naamgeving in Nederland en België vanaf de dertiende eeuw tot 1900.

Vuur maken met paddenstoelen

De eerste bekende naam die we kennen voor een paddenstoel stamt uit 1220: ‘banet’ dat ‘tondel’  betekent. Het was de naam voor paddenstoelen waarmee vuur kon worden geslagen. ‘In die tijd had men nog geen lucifers. Wat iedereen wel had was een klein doosje met een pluizige stof, die heel gemakkelijk vlam kon vatten, die stof werd onder andere van paddenstoelen gemaakt.’

De naam ‘paddenstoel’ zelf herinnert aan de dertiende en veertiende eeuw, toen paddenstoelen en andere ‘giftige’ planten werden gerekend tot het rijk van de duivel en zijn handlangers – heksen, tovenaars en padden.

Pufballen en boomzwammen

Zeven eeuwen Nederlandse namen voor paddenstoelen
Van der Putte behandelt in haar proefschrift zo allerlei aspecten van het maatschappelijk leven waarbij de paddenstoel een rol een speelt: medicinaal, culinair, in de botanie en voor de vrije tijd. Neem de bijna mythische paddenstoel Agaricus, een medicijn voor (bijna) alle kwalen - die al in de klassieke oudheid bekend was. Of Moederkoren dat in ieder geval al vanaf de zestiende eeuw gebruikt werd bij  moeilijke bevallingen.  ‘Het bespoedigde de bevalling en het stremde eventuele nabloedingen.’ En bovisten, ook wel ‘pufballen’ genoemd, werden in vroegere eeuwen soms door kinderen gebruikt om mee te voetballen. Het Judasoor (zie foto) dat ook tegenwoordig nog volop aan de vlierboom te vinden is, werd gebruikt bij oogontstekingen.

In haar onderzoek besteedt Van der Putte aandacht aan Nederlandse paddenstoelnamen vanuit de mycologie, de Nederlandse en Belgische geschiedenis en vanuit de Nederlandse taalkunde. Het levert een verrassend beeld van de historie van een meestal vergeten, vaak verguisd, maar uiterst boeiend onderdeel van de rijke natuur van de Lage Landen.

Meer weten? Neem contact op met

  • Anneke van der Putte, AVDP [at] de-stiel.demon.nlclass="externLink"
  • Wetenschapscommunicatie Radboud Universiteit, 024 3616000, media [at] ru.nl

Aan deze website wordt nog gewerkt. Meer informatie: 'een nieuwe website'.