‘Het zou onvergeeflijk zijn als hier geen lering uit wordt getrokken.’ Zo concludeerde Tweede Kamerlid en commissievoorzitter Michiel van Nispen bij de presentatie van het eindrapport van de parlementaire enquête fraudebeleid en dienstverlening (2021-2024). Het was een harde conclusie, gezien de ernst van de toeslagenaffaire die aanleiding vormde voor de enquête, maar zeker ook gezien de aansluitende waarschuwing in het rapport dat deze lering zich (nog) niet voltrokken had en een schandaal zoals de toeslagenaffaire ‘morgen weer kan gebeuren.’ Zowel de woorden van Van Nispen als de conclusie van het rapport waren bedoeld als alarmsignaal, maar illustreerden bovendien de ambitie die in toenemende mate centraal is komen te staan bij inzet, uitvoer en perceptie van de parlementaire enquête: het onderzoeken van het (recente) verleden om lessen te trekken voor de toekomst.
Deze ambitie is niet altijd expliciet of vanzelfsprekend geweest: niet in de wet en niet in de (historische) praktijk. Desondanks zijn er sinds de invoering van de Wet op de parlementaire enquête in 1977 die leidde tot de ‘herontdekking’ van wat vaak wordt getypeerd als het zwaarste instrument van het parlement, bij herhaling lessen getrokken: over het beleid, het parlement en het instrument zelf. In de ontwikkeling die de enquête doormaakte werd het lerend vermogen dan ook in toenemende mate toonaangevend in hoe de parlementaire enquête wordt uitgevoerd, ingezet en gepercipieerd. Desalniettemin is de parlementaire enquête tot op heden niet systematisch onderzocht als middel om te leren van het verleden. Dit promotieonderzoek ambieert dit wel te doen, door theorie en praktijk van de politiek van leren van het verleden samen te brengen, de interactie tussen de enquêtes en hun politiek-historische context mee te wegen en de spanningsvelden te onderzoeken die het geambieerde leerproces onder druk zetten.