Verticuteren
Verticuteren

Omvorming dijkvegetatie met doorzaai en beheer

Looptijd
2025 tot heden
Projectleden
prof. dr. J.C.J.M. de Kroon (Hans) dr. E.J.W. Visser (Eric) dr. N.M. van Rooijen (Nils) dr. ir. M.A.A. Evers (Maurice) , Thomas Evers , Cyril Liebrand
Projecttype
Onderzoek

Niet alle dijken zijn van nature geschikt voor een soortenrijke vegetatie. Soms ligt het probleem niet in het substraat zelf, maar in het feit dat de gewenste soorten simpelweg ontbreken. We nomen dit dispersielimitatie: geschikte omstandigheden zijn wel aanwezig, maar de soorten hebben de plek (nog) niet bereikt.

Daarnaast komt het vaak voor dat dijken met een minder ideaal substraat, bijvoorbeeld wat zanderiger of juist iets te kleirijk, alsnog potentie hebben voor meer soortenrijkdom, mits de juiste soorten worden geïntroduceerd. Door het slim doorzaaien van kruiden en een aangepast beheerregime, kan een dijk die nu soortenarm is zich ontwikkelen tot een stabiel en ecologisch waardevol talud.

Het doel van deze proeven is te onderzoeken of en hoe bestaande soortenarme dijken kunnen worden omgevormd tot soortenrijke vegetaties, zonder dat de toplaag hoeft te worden vervangen. Daarbij wordt gekeken naar de effectiviteit van doorzaai onder verschillende omstandigheden en naar de rol van beheer in het succes van vestiging.

Onderzoeksvragen

  1. In hoeverre is het mogelijk om bestaande grasdijken om te vormen tot soortenrijke dijken via doorzaai?
  2. Welke omstandigheden (substraat, oriëntatie, vochtigheid) bepalen het succes van vestiging van kruiden?
  3. Hoe beïnvloeden beheermaatregelen zoals maaien en verticuteren de vestiging en ontwikkeling van ingezaaide soorten?
Proefopzet

Proefopzet

Op negen locaties verspreid over Nederland zijn doorzaaiproeven aangelegd:

  •  2 locaties bij Waterschap Rivierenland (WSRL)
  • 3 locaties bij Waterschap Drents-Overijsselse Delta (WDOD)
  • 3 locaties bij Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ)
  • 1 locatie bij Waterschap Scheldestromen

De locaties verschillen in bodemsubstraat (van zand tot klei) en in oriëntatie (noord- en zuidtaluds), zodat de invloed van beide factoren kan worden onderzocht.

Voorbereiding en doorzaai

Omdat kruiden zich moeilijk kunnen vestigen in een dichte grasmat, is vooraf gezorgd dat de bestaande vegetatie tijdelijk werd verzwakt:

  1. Ultrakort maaien – de grasmat is zeer kort gemaaid om concurrentie te verminderen en groeipunten van grassen te beschadigen.
  2. Verticuteren – met verticale messen tot circa 5 mm diep zijn openingen in de zode gemaakt, mos verwijderd en de grasmat opengewerkt.
  3. Harken – al het losse materiaal is verwijderd zodat de bodemoppervlakte vrij is voor zaadcontact.
  4. Inzaaien – met lichte handmachines zijn zaden egaal verdeeld, vergelijkbaar met praktijktoepassing.
  5. Inharken en aanwalsen – om het zaad goed in contact te brengen met de bodem en uitdroging te voorkomen.

Op alle locaties zijn dezelfde drie mengsels ingezaaid:

  1. Dijken Basis Gras (DBG)
  2. DBG + Dijken Basis Kruiden (DGK)
  3. DBG + 12-soortenmengsel gebaseerd op het onderzoek op proefdijken

Door deze uniforme opzet kan goed worden vergeleken hoe de verschillende mengsels presteren onder uiteenlopende omstandigheden.

Maaien
Maaien
Verticuteren
Verticuteren
Harken
Harken
Open plekken net voor het zaaien, door maaien, verticuteren en harken
Open plekken net voor het zaaien, door maaien, verticuteren en harken
Eindbeeld na maaien, verticuteren, inzaaien en aanrollen
Eindbeeld na maaien, verticuteren, inzaaien en aanrollen

Financiering

Partners

Contactinformatie

Meer informatie? Neem contact op met: