Scheurvorming in een dijk in Zeeland, 2025
Scheurvorming in een dijk in Zeeland, 2025

Scheurvorming in toplaag dijken: oorzaak en oplossingen

Looptijd
2025 tot heden
Projectleden
prof. dr. J.C.J.M. de Kroon (Hans) dr. E.J.W. Visser (Eric) dr. N.M. van Rooijen (Nils) dr. ir. M.A.A. Evers (Maurice) , Thomas Evers , Cyril Liebrand
Projecttype
Onderzoek

Scheuren in dijken vormen een reëel veiligheidsrisico. Vooral diepe scheuren die tot in de kern van de dijk reiken, kunnen bij belasting leiden tot versnelde erosie, verlies van samenhang en zelfs instabiliteit van het talud. In de praktijk komen scheuren zowel voor bij oude als bij nieuw aangelegde dijken, maar de oorzaken zijn vaak onduidelijk.

Scheuren kunnen ontstaan tijdens de aanleg - bijvoorbeeld door te sterke verdichting of snelle droging - maar ook door chemische onevenwichtigheden tussen kationen (zoals een te hoge natriumverzadiging) of door mineralogische eigenschappen van de klei zelf, zoals een hoog gehalte aan zwellende smectiet. Daarnaast spelen ook klimaatfactoren (droogte, temperatuur) en beheer (maaifrequentie, vochtregime) een rol.

Door deze complexiteit is er tot op heden weinig systematisch inzicht in waarom sommige dijkkleien scheuren en andere niet, en hoe scheurvorming kan worden voorkomen. Dat maakt dit onderzoek cruciaal voor de toekomst van zowel regionale als primaire waterkeringen.

Doel van het onderzoek

Het doel van het scheurvormingsonderzoek binnen FutureDikes Fase II is om:

  • de oorzaken van scheurvorming in dijkkleien te achterhalen,
  • de relatie tussen fysische, chemische en mineralogische eigenschappen van de bodem en scheurgevoeligheid te kwantificeren, en
  • praktische maatregelen te ontwikkelen waarmee scheurvorming kan worden verminderd of voorkomen — zowel bij aanleg als bij beheer.

De resultaten moeten leiden tot concrete handvatten voor ontwerpers, beheerders en aannemers: welke klei is geschikt, wat zijn grenswaarden voor chemie en plasticiteit, en hoe kan men de bodem verbeteren als risico’s worden vastgesteld?

Onderzoeksvragen

1. Oorzaak

  • Welke fysische, chemische en mineralogische eigenschappen bepalen de scheurgevoeligheid van dijkkleien?
  • Is scheurvorming vooral een gevolg van aanleg (verdichting, droging) of van inherente bodemeigenschappen (zoals Ca/Na-verhouding of kleimineraaltype)?

2. Herkenning

  • Welke meetbare indicatoren (zoals plasticiteitsindex, ESP, kleigehalte, mineraalsamenstelling) kunnen gebruikt worden om de kans op scheuren vroegtijdig te voorspellen?

3. Preventie

  • Welke maatregelen (zoals toevoeging van gips, compost of zand, of gecontroleerde herverdichting) kunnen scheurvorming effectief beperken?
  • In hoeverre zijn deze maatregelen toepasbaar in de praktijk, zonder negatieve effecten op sterkte of vegetatieontwikkeling?
Scheurvorming in een dijk in Zeeland, 2025
Scheurvorming in een dijk in Zeeland, 2025
Scheurvorming in een Zeeuwse dijk, 2025
Scheurvorming in een dijk in Zeeland, 2025

Onderzoeksopzet

Het onderzoek naar scheurvorming in dijkkleien wordt uitgevoerd in het bodemlaboratorium van de Radboud Universiteit. Hier worden veldmonsters systematisch geanalyseerd op hun fysische, chemische en mineralogische eigenschappen, waarna gecontroleerde droog-nat-experimenten worden uitgevoerd om het scheurgedrag te simuleren. Het onderzoek bestaat uit drie delen: 

  1. karakterisering van de bodems,
  2. simulatie van scheurvorming, en
  3. testen van preventieve maatregelen.

1. Karakterisering van bodems

Van acht locaties op primaire keringen in Zeeland en Friesland zijn bodems verzameld met en zonder zichtbare scheuren. Deze bodems worden eerst geanalyseerd op hun samenstelling en gedrag.

Fysische eigenschappen

  • Textuur (zand/silt/klei %): bepaalt de verhouding tussen grove en fijne fracties en daarmee het krimp- en zwelpotentieel.
  • Bulk- en deeltjesdichtheid: geeft inzicht in porositeit en verdichtingsgraad.
  • Atterberg-limieten (LL, PL, PI): bepalen de grens tussen vaste, plastische en vloeibare toestand; een maat voor plasticiteit en gevoeligheid voor scheurvorming.
  • Lineaire krimp: meet de relatieve lengteverandering bij droging, direct gerelateerd aan scheurpotentie.

Chemische eigenschappen

  • pH (H₂O en KCl) en elektrische geleidbaarheid (EC) volgens ISO 10390 en 11265, als maat voor chemische stabiliteit en zoutgehalte.
  • Cation Exchange Capacity (CEC) en uitwisselbare kationen (Ca, Mg, Na, K) met de NH₄OAc-methode (ISO 11260). Hiermee wordt de Exchangeable sodium percentage (ESP) en Ca/Na-verhouding berekend, belangrijke indicatoren voor zwelling en dispersie.
  • Carbonaten (Scheibler-methode) voor bepaling van kalkgehalte en buffering.

Mineralogische eigenschappen

De <2 µm-fractie wordt geïsoleerd en geanalyseerd met X-ray diffractie (XRD) in het X-Ray Diffraction Lab van de Radboud Universiteit. Hiermee wordt de relatieve aanwezigheid van smectiet, illiet, kaoliniet en chloriet vastgesteld. De aanwezigheid van zwellende smectieten verklaart vaak een groot deel van het krimp- en scheurgedrag.
 

XRD Analyse-apparaat in het X-Ray Diffraction Lab van de Radboud Universiteit
XRD Analyse-apparaat in het X-Ray Diffraction Lab van de Radboud Universiteit

2. Simulatie van scheurvorming

Na de karakterisering wordt het werkelijke scheurgedrag getest in het laboratorium.

Proefopzet

Elke bodem wordt gevormd tot kleine schijven in petrischalen(Ø 6–10 cm, diktes 1.0–2.0 cm). De bodems worden bevochtigd tot net boven de plasticiteitsgrens en in lagen verdicht tot een realistische bulkdichtheid (~1.5 g/cm³).

Droog-nat-cycli

  • De schalen worden geplaatst in een klimaatkamer (20–22 °C, 40–60 % RV).
  • Elke cyclus bestaat uit: verzadigen → gecontroleerd drogen tot constant gewicht → herbevochtigen.
  • In totaal worden drie cycli uitgevoerd per bodem.

Metingen

  • Dagelijks gewicht (verdampingscurve)
  • Tijd tot eerste scheur
  • Scheuroppervlak (%) en maximale scheurbreedte via beeldanalyse (ImageJ/Fiji)
  • Eind-scheurdichtheid na derde cyclus

Zo wordt de scheurgevoeligheid van iedere klei kwantitatief vastgesteld.

Voorbeeld van fotoanalyse in petrischalen
Voorbeeld van fotoanalyse in petrischalen

3. Testen van maatregelen

Om te onderzoeken hoe scheurvorming kan worden beperkt, wordt een tweede serie proeven uitgevoerd met drie representatieve bodems (laag-, middel- en hoog-scheurend).

Behandelingen

  1. Controle (ongewijzigd)
  2. Gips (0–10 g/kg) — verhoogt Ca/Na-verhouding en stabiliseert kleistructuur.
  3. Compost (0–10 % dm) — verbetert organische binding en veerkracht.
  4. Zand (0–30 % dw) — verlaagt krimppotentie door verdunning.
  5. Herverdichten — simuleert herstel na aanleg of onderhoud.

Elke behandeling wordt getest in drievoud; de droog-nat-cyclus is identiek aan de basisproef.

Partners

Contactinformatie

Meer informatie? Neem contact op met: