Radboud Universiteit
Zoek in de site...

Radboud-onderzoekers betrokken bij miljoenenonderzoek naar autisme

Datum bericht: 11 juli 2018

In een groot publiekprivaat project, gesteund met 110 miljoen euro door het Europese IMI (Innovative Medicines Initiative) gaat een team van wetenschappers – onder leiding van King’s College London – onderzoek doen naar biomarkers waarmee autisme in duidelijke subgroepen kan worden opgedeeld. Van het team maken ook Radboud-onderzoekers deel uit.

Hoofdaanvrager van dit project is het Britse King’s College in Londen. Vanuit het Donders Center for Medical Neuroscience en de afdeling Cognitive Neuroscience van het Radboudumc zijn hoogleraar Psychiatrie Jan Buitelaar en hoogleraar Statistical Imaging Neuroscience Christian Beckmann betrokken. Buitelaar is co-leider van de klinische studies en Beckmann leidt de ontwikkeling van nieuwe statistische technieken en databases.

Miljoenenonderzoek naar autisme

Eerder onderzoek

In 2012 ging het eerste grote Europese autismeonderzoek van start, het EU-AIMS. Die afkorting staat voor European Autism Interventions - a Multicentre Study for Developing New Medications. Dat project liep maart van dit jaar af en heeft met dit onderzoek een vervolg gekregen: AIMS-2. Buitelaar: ‘Het is inmiddels duidelijk dat autisme uit vele subtypen bestaat en dat de onderliggende biologie zeer complex en heterogeen is. Dat verklaart mede waarom tot dusver alle pogingen om behandelingen te ontwikkelen, hebben gefaald. Heb je een middel dat het geweldig doet in een subgroep, maar bij andere subgroepen juist averechts werkt, dan zie je dat niet terug in het algemene resultaat. Door de aanpak op groepsniveau zie je geen deeleffecten en verspeel je de kans op een goed medicijn voor een deel van de patiënten.’

Nieuwe algoritmes

Beckmann is theoretisch natuurkundige en hoofd van de afdeling statistiek en neurowetenschappen. Aan hem de taak uit de enorme hoeveelheid data die EU-AIMS opleverde op een slimme en efficiënte manier zinvolle data te halen. ‘Voorheen keek men bijvoorbeeld naar afwijkingen in de hersenstructuur en deed men op basis daarvan uitspraken over autisme. Of men keek naar het functioneren van het brein en trok conclusies.’

Het team van Beckmann brengt alle structurele en functionele gegevens van het brein bij elkaar en combineert die met moleculaire en genetische gegevens; de individuele symptomen van patiënten; psychologisch en cognitief onderzoek; gegevens van wearables die continu fysiologische gegevens leveren en nog veel meer mogelijk relevante data.

Beckmann: ‘Die berg gegevens gaan we te lijf met nieuwe technieken en algoritmes, op zoek naar subgroepen. Dat leidt niet alleen tot betere diagnoses, maar ook tot meer kans op effectieve medicijnen. Dat is persoonsgerichte zorg.’

Leefstijl

Niet alleen medicijnen kunnen dienen als therapie. Buitelaar wijst op een Scandinavische studie waarin wordt gesteld dat zwangere vrouwen die multivitamines gebruiken, inclusief foliumzuur, een lagere kans hebben op kinderen met autisme. ‘Zo’n studie moet eerst bevestigd worden’, voegt hij er onmiddellijk aan toe, ‘maar interventies in leefstijl of dieet zijn ook denkbaar. Of psychologische interventies en misschien zelfs magnetische stimulatie van het brein. Als het effect heeft, waarom niet?’

Jonge kinderen

Belangrijk onderdeel in de Nijmeegse bijdrage is het volgen van een groep jonge kinderen met autisme gedurende meerdere jaren. Buitelaar: ‘Eerder onderzochten we kinderen vanaf zes jaar, nu beginnen we al bij drie. Hoe eerder je de aandoening vaststelt, hoe meer mogelijkheden er zijn voor behandeling, zoals psycho-educatie. Het brein is plastisch en kan zich vaak nog aanpassen. Dat betekent tegelijkertijd dat je autisme waarschijnlijk alleen maar op jonge leeftijd in ‘‘pure” vorm aantreft. Daarna verandert het ziektebeeld door aanpassingen om de problemen die ontstaan door autisme het hoofd te bieden.’