FTR-RTMAG011
Supervisie
Cursus informatieRooster
CursusFTR-RTMAG011
Studiepunten (ECTS)0
Categorie-
VoertaalNederlands
Aangeboden doorRadboud Universiteit; Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen; Opleiding Religiestudies;
Docenten
Contactpersoon van de cursus
dr. M. Scherer - Rath
Overige cursussen docent
Collegejaar2020
Periode
SEM1  (31-08-2020 t/m 24-01-2021)
Aanvangsblok
SEM1/  SEM2
Onderwijsvorm
voltijd
Opmerking-
Inschrijven via OSIRISJa
Inschrijven voor bijvakkersNee
VoorinschrijvingNee
WachtlijstNee
Plaatsingsprocedure-
Cursusdoelen
De doeloriëntaties van de supervisie luiden: De supervisant/e heeft kennis van en inzicht in supervisie als didactische methode voor de verdere professionalisering van het eigen handelen als geestelijk verzorger en de eigen beroepsgroep. Zij ziet tevens het belang van het supervisorisch leerproces voor de ontwikkeling van een professionele beroepsidentiteit.

1. De supervisant/e beschikt over reflectieve vaardigheden en houdingen om de persoonlijke en beroepsmatige kant van haar beroepsidentiteit te verhelderen.
2. De supervisant/e is in staat om kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen (opgedaan in de opleiding) zodanig te integreren dat ze dienstig kunnen zijn voor een zelfkritische reflectie in en op de hermeneutisch communicatieve praxis van de geestelijk verzorger.
3. Bekwaamheid tot reflectie in de praktijk van de geestelijke verzorging en op de praktijk van de geestelijke verzorging. 

De concrete doelstellingen van de supervisie binnen de mastervariant geestelijke verzorging zijn:
1. De ontwikkeling van een ‘interne supervisor’ zodat de supervisant/e in staat is om zelfstandig te reflecteren in en op het eigen werken en leren. Het beschikken over een dergelijke interne supervisor blijkt uit het zelfstandig (a) kunnen herkennen en benoemen van concrete (positieve en negatieve) werkervaringen; (b) kunnen problematiseren van deze werkervaringen in de vorm van een leervraag; (c) kunnen reflecteren op deze werkervaringen vanuit verschillende perspectieven (verschillende rollen van de geestelijk verzorger, patiënt, cliënt, instelling, etc.); (d) kunnen leren aan deze concretisering, problematisering en reflectie op de eigen werkervaringen; (e) kunnen herkennen en benoemen van de eigen leerstijl(en) van waaruit werkervaringen worden benaderd.
2. Bekwaamheid in de reflectie in de praktijk van de geestelijke verzorging met betrekking tot het dubbele integratieproces dat relevant is voor de ontwikkeling van een professionele identiteit als geestelijk verzorger. Deze bekwaamheid blijkt uit het kunnen herkennen en benoemen van (a) het persoonlijke denken, voelen, willen en handelen tijdens het verrichten van taken als geestelijk verzorger; (b) de beroepsmatige aspecten die tijdens het verrichten van deze taken bewust invloed uitoefenen op het handelen van de geestelijk verzorger; (c) de wederzijdse beïnvloeding van de persoonlijke en de beroepsmatige aspecten in de praktijk van geestelijke verzorging en de specifieke rol van de eigen persoonlijkheid daarbinnen; (d) de werkschema's (werkscenario's) waarin de integratie van persoonlijke en beroepsmatige aspecten tijdens het verrichten van taken als geestelijk verzorger tot uitdrukking komt.
3. Bekwaamheid in de reflectie op de praktijk van de geestelijke verzorging met betrekking tot het dubbele integratieproces dat relevant is voor de ontwikkeling van een professionele identiteit als geestelijk verzorger. Deze bekwaamheid blijkt uit het kunnen herkennen, benoemen èn evalueren van concrete werkervaringen als geestelijk verzorger die mede gekenmerkt worden door (a) het dubbele integratieproces van persoonlijke en beroepsmatige aspecten van de hermeneutische communicatie in de praktijk van de geestelijke verzorging; (b) de integratie van nieuwe kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen voor reflectieve geestelijke verzorging die worden opgedaan in de hoor/werkcolleges en de practica; en (c) nieuwe inzichten met betrekking tot de eigen leerstijl om nieuwe kennis, inzichten, vaardigheden en houdingen voor het eigen handelen als geestelijk verzorger dienstbaar te maken.
Inhoud
Supervisie is een didactische methode die stimuleert tot onderzoekend leren denken, voelen en handelen ten aanzien van de eigen werkzaamheden en het zelfstandig functioneren in het werkveld van de geestelijke verzorging. Hiervoor is het meer functionele supervisorische leerproces gericht op de reflectie inen opde taakuitvoering van de geestelijke verzorging in de vorm van persoonlijke werkervaringen, om uiteindelijk beter vanuit een professionele houding als geestelijk verzorger te kunnen functioneren. 

In de supervisie wordt gestreefd naar de integratie van het persoonlijke(denken, voelen, willen en handelen) en het beroepsmatige (de persoon als professional, het beroep, wetenschappelijke kennis hieromtrent en de concrete werkervaring). Hierbij staan vooral werkervaringen en de reflectie daarop centraal.

Supervisie wil de op hermeneutische communicatie gerichte zelfsturing en de reflectieve competentie van de geestelijk verzorger vergroten met als doel de kwaliteit van het beroepsmatige handelen in de verschillende werkvelden van de geestelijke verzorging (verder) te ontwikkelen. Hiervoor is supervisie op een meer inhoudelijk leerproces gericht. De supervisie wil er toe bijdragen om de kennis, inzichten, vaardigheden en houdingen uit de hoorcolleges, werkcolleges en practica zodanig te integreren in de persoon van de geestelijke verzorger, dat voor de geestelijk verzorger als professional van dienst kunnen zijn. Supervisie streeft ernaar om de geestelijk verzorger op deze professionele competenties te reflecteren vanuit een zelfkritisch perspectief op de eigen praktijk. Concreet gaat het om  het bespreekbaar maken van:
a.  het leren van werkervaringen opgedaan tijdens het verrichten van taken als geestelijk verzorger;
b.  het pedagogische handelen met patiënten en cliënten;
c.  het functioneren in een instelling;
d.  de beroepsmotivatie en de beroepsgeschiktheid;
e.  de beroepssocialisatie; en 
f.  belangrijke rolmodellen
 
om zo:
  1. het eigen professioneel zelf te verdiepen;
  2. zich persoonlijk te ontwikkelen in termen van zelfreflectie en zelfsturing;
  3. de interactie tussen het persoonlijke en het professionele zelf te stimuleren; en
  4. professionele competenties op  het terrein van de geestelijke verzorging (kennis, inzicht, vaardigheden, houding) te integreren.
Om als supervisante in supervisiebijeenkomsten succesvol te kunnen functioneren moet de geestelijk verzorger in opleiding gaandeweg leren om:
  1. concrete werkervaringen te problematiseren in termen van leerdoelen;
  2. concrete leervragen te formuleren;
  3. op het niveau van het persoonlijk zelf te reflecteren (Wat denk ik? Wat voel ik? Wat wil ik? Wat geloof ik? Hoe handel ik?); en
  4. op het niveau van het professioneel zelf te reflecteren (Wat is specifiek aan geestelijke verzorging? Welke werkervaringen op de stageplek zijn voor mij van belang? Hoe werk ik?)
Niveau

Voorkennis

Toetsinformatie
Het leerproces van de supervisant/e alsmede het tussentijdse en eindverslag, worden door de supervisor op basis van de volgende criteria beoordeeld: 1. De mate van supervisabiliteit. Supervisabiliteit is een voorwaarde om tot een productief supervisietraject te komen. Supervisabiliteit dient de supervisante reeds bij aanvang te bezitten of moet op korte termijn zijn ontwikkeld. Met supervisabiliteit wordt de bereidheid en het vermogen van de supervisante bedoeld om open te staan voor een supervisorisch leerproces dat ondermeer gekenmerkt wordt door de concretisering van de eigen werkervaringen; de problematisering en de generalisering daarvan; en de reflectie op deze werkervaring (cf. Regouin 1997, 13-20). Supervisabiliteit houdt tevens in dat de supervisante:
  • zich houdt aan de afspraken die in het contract worden gemaakt;
  • iets moet (durven) laten zien van het eigen denken en doen, en wel zo concreet mogelijk;
  • kritische vragen kan stellen bij de eigen meningen, belevingen en het eigen handelen;
  • feedback kan geven en ontvangen;
  • werkproblemen en succeservaringen onder woorden kan brengen, inclusief het eigen aandeel daarin;
  • de verantwoording wil en kan nemen voor het eigen leerproces; en
  • een bijdrage wil en kan leveren aan het leerproces van de medesupervisante(n). 2. Kennis van en inzicht in de grondstructuur van supervisie. 3. Concretiseren van werkervaringen. 4. Problematiseren van werkervaringen zodat er een leervraag uit kan worden afgeleid. 5. Reflecteren op de concrete werkervaringen vanuit verschillende theoretische perspectieven. 6. Leren integreren en integratie van persoonlijke aspecten (denken - voelen - willen - handelen). 7. Leren integreren en integratie van beroepsmatige aspecten (persoon – beroepsrol – werkervaring – opleiding) met het oog op de ontwikkeling van een professioneel beroepsperspectief. 8. Leren integreren en integratie van persoonlijke en beroepsmatige aspecten (privé-persoon - professional). 9. Leren integreren en integratie van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen voor een reflexieve uitvoering van de taken van de geestelijk verzorger. 10. De toename in reflectievermogen in en op de praktijk van de geestelijke verzorging, de toename van zelfsturing in werken en leren en de ontwikkeling van 'een interne supervisor'.
  • Bijzonderheden
    Vormt een verplicht onderdeel van de beroepsstage van de master Religiewetenschappen, specialisatie Geestelijke Verzorging
    Verplicht materiaal
    Boek
    ISBN:9789023254034
    Titel:Supervisie. Gids voor supervisanten
    Auteur:Willemine Regouin, Erik de Haan
    Uitgever:Van Gorkum Assen
    Druk:8
    Kosten:9,00

    Werkvormen
    Practicum
    AanwezigheidsplichtJa