Inzicht in het begrip 'wederzijds voordeel', inzicht in China's buitenlandse hulp

woensdag 14 februari 2024, 10:30
Promovendus
M. Zhang
Promotor(s)
prof. dr. D.J. Koch
Copromotor(s)
dr. L.W.M. Schulpen
Locatie
Aula

Deze scriptie schetst de evolutie van China's interpretatie van het begrip 'wederzijds voordeel' met betrekking tot buitenlandse hulp verstrekt tijdens drie belangrijke periodes: (1) de jaren 1950 tot 1978, toen het welzijn van de ontvanger voorop stond; (2) vanaf 1979, toen de nadruk lag op wederzijdse voordelen; en (3) vanaf 2010, toen de focus opnieuw verschoof naar de belangen van de ontvanger. Het Chinese model voor hulpverlening wordt voor een belangrijk deel vormgegeven door het Belt and Road Initiative (BRI), ook wel de Nieuwe Zijderoute genoemd. Dit initiatief integreert economische, politieke en ontwikkelingsdoelstellingen op wereldwijde schaal. Hoewel China beweert zich niet met zaken te bemoeien, leidt praktische hulp vaak tot politieke voordelen. Het BRI introduceert een vorm van financiële integratie die verder gaat dan traditionele concessionele leningen en onder meer bestaat uit een verscheidenheid aan fondsen, hulp-handelspartnerschappen en investeringen. Hier komen wel een aantal uitdagingen bij kijken. Zo kunnen er problemen ontstaan op het gebied van transparantie en zorgen over een mogelijke schuldenval (debt trap). In specifieke gevallen, zoals Myanmar en Indonesië, ligt de prioriteit op de economische voordelen, wat een pragmatische benadering laat zien op het gebied van diplomatieke betrokkenheid, bevorderen van handel, veiligstellen van hulpbronnen en faciliteren van Chinese bedrijven in het buitenland. Het definiëren van China's benadering van wederzijds voordeel vereist een robuust institutioneel kader en consistentie tussen beleid en praktijk, te midden van de complexiteit van een evoluerend beleid voor buitenlandse hulp.

Min Zhang is geboren in Beijing, China. In juli 2017 voltooide ze haar eerste promotietraject (in het Chinees) in Internationale Betrekkingen aan de Chinese Universiteit voor Politieke Wetenschappen en Recht, waar ze onderzoek deed naar China's buitenlandbeleid, buitenlandse hulp, handel en investeringen, Zuid-Zuid-samenwerking en mondiale governance. Daarna werkte ze fulltime aan de Radboud Universiteit om haar tweede promotietraject in internationale ontwikkeling af te ronden, opnieuw gericht op China's hulpverlening, handel, investeringen en Zuid-Zuid-ontwikkelingssamenwerking. Ze publiceerde een aantal artikelen in SSCI-tijdschriften en toptijdschriften in het Chinees. Voor haar onderzoek naar China's buitenlandse hulp deed ze uitgebreid veldonderzoek in China, Myanmar en Indonesië, bezocht ze door China gesteunde projecten en sprak ze met Chinese ambtenaren, wetenschappers en medewerkers van ondernemingen en ngo's. Tijdens haar studies in zowel China als Nederland was ze betrokken bij vele onderzoekspractica.