Metaforische hondenfluitjes waren er daarentegen genoeg. In perioden waarin het vrije woord onder druk kon komen te staan – in de Grieks-hellenistische periode dus en in de Romeinse keizertijd – werd derhalve in de retorische theorie ruimte gemaakt voor, en op de retorenschool onderwijs gegeven in, het coderen van taal.
De weg naar bedrevenheid in het hanteren van taal ‘voor de goede verstaander’ liep dan ook dwars door Sophistopolis, en leidde tot taalgebruik dat in de eerste instantie exclusief betekenisvol was in de context van die fictieve stad. Later, door de alomtegenwoordigheid van het retorisch onderwijs, dook het ook op in de ‘echte’ wereld.
Een bekend Sophistopolitaans voorbeeld is het zeldzame woord inspoliatus, dat letterlijk “niet beroofd” betekent, en dat we vinden in declamaties waarin het standaard conflict tussen Arme Man en Rijke Man wordt gecompliceerd door de dood van Arme Man. Inspoliatus wordt dan gebruikt als kwalificatie van het levenloze lichaam van een arme man. Zo wordt geïnsinueerd dat hij wel door zijn rijke vijand zal zijn vermoord: die heeft een motief om de arme te vermoorden en geen behoefte om hem te beroven.
Maar ook meer gangbare termen kunnen een bijbetekenis krijgen. Formosus en speciosus betekenen allebei “mooi”. In Sophistopolis wordt die schoonheid veelal geassocieerd met seksuele corruptie. Berucht is de declamatie van de vader over wiens ‘mooie’ zoon het gerucht gaat dat die een seksuele relatie zou onderhouden met zijn eigen moeder. Vader onderwerpt zoon aan een verhoor onder marteling en gaat zo tekeer, dat de zoon bezwijkt. Wanneer vader vervolgens wordt aangevallen op het feit dat hij zijn eigen kind heeft doodgemarteld op een ongefundeerde verdenking, antwoordt hij: speciosus fuit – “hij was mooi”. En: iuvenem, in cuius animo perdiderant nomina nostra respectum, quem cotidie necesse habebamus excusare rumori, qui inter nos formosum malebat agere quam filium, verberibus ignibusque consumpsi – “met gesels en vlammen heb ik de jongeman afgemaakt in wiens geest onze namen geen respect meer kregen, de jongeman voor wie we ons iedere dag moesten verontschuldigen tegenover de verspreiders van geruchten, die bij ons liever de rol van mooie jongen dan van zoon speelde”. In heel het verweer van de vader komt het woord ‘incest’ of ‘affaire’ niet voor, en dat maakt het voor de vader mogelijk te ontkennen dat er meer staat dan dat zijn zoon een mooie jongen was.
Ook in de antieke werkelijkheid kwamen hondenfluitjes voor. Een bijzonder exemplaar was in trek in de Romeinse keizertijd, ten tijde van de christenvervolgingen. Stiekeme aanhangers van het christendom verzonnen toen een code om naar Christus te verwijzen. Ze postuleerden dat het Griekse woord voor vis, ICHTHUS, kon worden gezien als een acroniem van: Iēsos CHristos THeou HUios Sōter, oftewel Jezus Christus, van god de zoon, redder. Wanneer ze op straat een potentiële medestander in het geloof zagen, konden ze volstaan met quasi-terloops een simpel tekeningetje in het zand te maken: