Centraal in Ruud’s verhaal stonden drie lijnen die volgens hem kenmerkend zijn voor deze traditie. Allereerst de overtuiging dat religie om ervaring draait. Theologen en psychologen als Han Fortmann en Jan van der Lans vonden dat geloof niet alleen gaat over het begrijpen van leerstellingen. Volgens hen was het geloof te veel een kwestie van “weten” geworden, terwijl het juist ook gaat om het ervaren van het transcendente – dat wat het gewone overstijgt. Zij zochten naar manieren om die ervaringskant van religie opnieuw serieus te nemen.
Ten tweede benadrukten de Nijmeegse godsdienstpsychologen een duidelijke scheiding tussen theologie en psychologie. In Nijmegen werd benadrukt dat de psychologie religieus gedrag en religieuze ervaringen kan onderzoeken, maar geen uitspraken doet over de vraag of God bestaat of wat de waarheid van het geloof is. Zo wilden de godsdienstpsychologen voorkomen dat religie zou worden teruggebracht tot “alleen maar” psychologie.
Een derde belangrijk punt is de nadruk op intersubjectiviteit: religieuze betekenis ontstaat in ontmoeting en gesprek. Religie ontstaat niet alleen in het innerlijk van een individu, maar ook in contact met anderen. In de pastorale counseling van Willem Berger en in het werk van onder anderen Arnold Uleyn en Jan van der Lans speelde die wederzijdse betrokkenheid een grote rol. Zingeving gebeurt in gesprek, in dialoog, in gedeelde verhalen.