Václav Havel
Václav Havel

De kwestie-Havel: een blijvende vlek op Van den Broeks blazoen

In de blogreeks 'Wandelingen door de Handelingen' berichten onderzoekers van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) over hun onderzoek naar de jaren tachtig. Deze keer schrijft Hilde Reiding over de kwestie-Havel.

Hilde Reiding[1]

‘Wat vindt de regering belangrijker: de vrijheid van meningsuiting hier te lande of de goede betrekkingen met een regime dat die vrijheid onderdrukt?’[2] Precies deze, door Tweede Kamerlid Frits Bolkestein (VVD) gestelde vraag, leek de kern te vormen van een principieel debat dat op 21 oktober 1986 plaatsvond tussen regering en parlement. De werkelijkheid was echter complexer. Op de achtergrond speelde namelijk nog een andere belangrijke vraag: hoe ver reikte eigenlijk de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Koninklijk Huis? Strekte deze zich uit tot wat leden van het Koninklijk Huis zelf zeiden, of ook tot uitspraken van derden die op een publieke bijeenkomst in hun aanwezigheid werden gedaan? Mochten er bij gelegenheden waar leden van het Koninklijk Huis een ceremoniële rol speelden politiek gevoelige uitspraken worden gedaan, of kon van organisatoren en sprekers worden verlangd dat zij hierin bepaalde grenzen in acht namen?

Strijd rond de Erasmusprijs 

Aanleiding voor alle tumult vormde het voornemen van de Stichting Praemium Erasmianum om de Erasmusprijs voor 1986 toe te kennen aan Charta 77, een Tsjechoslowaakse dissidentenbeweging die zich inzette voor mensenrechten, ondanks zware onderdrukking door het communistische regime. De beweging oogstte in Nederland veel bewondering, en ook het kabinet had voor haar doelstellingen veel sympathie. Toch bracht het plan om Charta 77 te onderscheiden met deze prijs de minister van Buitenlandse Zaken in een lastig parket. 

De spanningen van de Koude Oorlog speelden in deze jaren bij veel buitenlandpolitieke kwesties een bepalende rol. Eén van de constant terugkerende dilemma’s waar Nederland in relatie tot de Oostbloklanden voor stond, betrof het al dan niet aan de kaak stellen van mensenrechtenschendingen. De bevordering van de rechten van de mens vormde een wezenlijk onderdeel van het buitenlands beleid, maar het bereiken van een zekere mate van ontspanning tussen Oost en West was dat ook. Het aankaarten van de onderdrukking in de Oost-Europese dictaturen lag uiterst gevoelig en kon de onderlinge verhoudingen negatief beïnvloeden. Telkens moest dus een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen het uiten of inhouden van kritiek. Soms kostte het weinig moeite het juiste evenwicht te vinden, maar bij tijd en wijle ontstonden er echter ook politieke discussies. De kwestie rond de toekenning en uitreiking van de Erasmusprijs was daarvan een in het oog springend voorbeeld. 

De problemen ontstonden toen uitlekte dat de minister van Buitenlandse Zaken, Hans van den Broek (CDA), zich niet kon vinden in de keuze van de Stichting Praemium Erasmianum. Prins Bernhard was regent van de Stichting en zou de prijs uitreiken in aanwezigheid van leden van het Koninklijk Huis en daarom lichtte het bestuur Van den Broek van tevoren in. Omdat het een politiek gevoelige nominatie was, maakte Van den Broek bezwaar: het koningshuis mocht onder geen beding betrokken raken bij internationaalpolitieke verwikkelingen. De toekenning van de Erasmusprijs aan Charta 77 was wat hem betrof dan ook niet mogelijk.[3]

Overleg tussen de minister en de Stichting leidde tot een door premier Ruud Lubbers bedacht compromis.[4] Zou het niet mogelijk zijn de prijs toe te kennen aan een persoon die symbool kon staan voor Charta 77? De gedachten gingen uit naar toneelschrijver en essayist Václav Havel, die gold als een van de meest prominente vertegenwoordigers van Charta. Aldus werd besloten. Havel kreeg de prijs, volgens de formele verklaring van de Stichting, omdat zijn werk werd ‘gedragen door de idealen van de Europese cultuur, waaronder de zorg voor de mensenrechten en humanistische waarden’.[5] Ondertussen was de relatie met de Tsjechoslowaakse dissidentenbeweging natuurlijk voor iedereen klip en klaar. Ook Havel zelf liet er geen misverstand over bestaan dat hij de prijs zag als een eerbewijs voor Charta, en niet als een persoonlijke onderscheiding. Het geldbedrag dat hem als laureaat van de Erasmusprijs toekwam, zou hij dan ook aan Charta ter beschikking stellen.[6]

Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek bij een begrotingsdebat in 1986.
Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek bij een begrotingsdebat in 1986. Bron: Nationaal Archief, Anefo.

Een politieke nederlaag 

De uitreiking van de Erasmusprijs vond uiteindelijk plaats op 13 november 1986. Havel kon niet persoonlijk aanwezig zijn, omdat hij na het verlaten van zijn land wellicht niet zou kunnen terugkeren. Twee van zijn Charta-vrienden vertegenwoordigden hem bij de ceremonie in de Rotterdamse Sint Laurenskerk. De in Zweden woonachtige Charta-woordvoerder František Janouch nam de prijs in ontvangst en de uit Tsjechoslowakije verbannen acteur Jan Tryska sprak Havels dankrede namens hem uit.

Aan de plechtigheid was echter nog heel wat voorafgegaan. Nadat hem de concepttekst van Havels dankwoord was voorgelegd had Minister Van den Broek namelijk tegen bepaalde passages bezwaar gemaakt. Hij stond erom bekend zeer precies te zijn waar het de ministeriële verantwoordelijkheid voor de leden van het Koninklijk Huis betrof en Havel mocht zich van hem in hun aanwezigheid niet uitdrukkelijk als vertegenwoordiger van Charta afficheren. De Erasmusprijs was in de eerste plaats een cultuurprijs en een ‘volstrekt politieke speech’ paste daar niet bij. Het ging hem er niet om kritiek op de Tsjechoslowaakse autoriteiten te vermijden, maar het staatshoofd mocht daar niet bij betrokken raken. Dat was een principekwestie, vooral vanwege de precedentwerking. Als de betreffende zinsneden niet werden geschrapt, dan kon het Koninklijk Huis niet aanwezig zijn, meende hij.[7]  

Het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum wilde die situatie voorkomen, maar worstelde intern ook met verdeeldheid over de vraag welke concessies het daartoe wilde accepteren. Een deel van het bestuur was verbolgen over het verzoek tot aanpassing van de tekst en al snel lekte het nieuws over Van den Broeks interventie zodoende uit. Het leidde tot een golf van kritiek: van de media, maar ook van parlementsleden. Coalitiepartij VVD stelde de regering op 21 oktober 1986 een reeks kritische vragen en ook andere Tweede Kamerleden uitten hun zorgen over de gang van zaken. Had de minister censuur gepleegd uit angst om de goede betrekkingen met Tsjechoslowakije te beschadigen? En werd iemand die in eigen land vocht voor de vrijheid van meningsuiting nu in Nederland het vrije woord geweigerd? Dat was onacceptabel.

Ook in het kabinet waren er aarzelingen over de juistheid van Van den Broeks interventie. Dat bleek al tijdens het Kamerdebat, waar minister-president Lubbers vanwege Van den Broeks verplichtingen in het buitenland het woord voerde. Men kon zich afvragen, zo gaf hij toe, of de keuze voor Havel in plaats van Charta achteraf gezien wel ‘voldoende was doordacht in die zin dat er een wat kunstmatige cesuur ging optreden’. Het feit dat er in deze zaak spanningen naar buiten gekomen waren, was een ‘bewijs dat er iets scheef zit’, en dat betreurde hij.[8] Van den Broek nam het Lubbers achteraf zeer kwalijk dat hij niet meer voor hem was opgekomen en dat hij het aspect van de ministeriële verantwoordelijkheid in de Kamer niet duidelijker voor het voetlicht had gebracht. Hij vond dat het Kamerdebat zijn optreden onterecht ‘in een wat twijfelachtig daglicht’ had gesteld.[9]

Dat nam niet weg dat hij het oordeel van de Kamer moest accepteren. In de ministerraad van 24 oktober werd gesproken op de vraag wat in de gegeven omstandigheden wijsheid was. Unaniem waren de andere ministers van mening dat het kabinet in een uiterst ongelukkige positie verzeild was geraakt. Verschillende kabinetsleden vonden dat Van den Broek veel te ver ging in zijn interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid. Het was niet reëel om te veronderstellen dat het staatshoofd in een pluriforme samenleving met een grote mate van vrijheid van meningsuiting altijd kon worden afgeschermd voor politieke uitspraken, vond bijvoorbeeld Cees van Dijk (CDA, Binnenlandse Zaken). Ook Frits Korthals Altes (VVD, Justitie) wees daarop. Gelet op de Nederlandse traditie en die van het Koningshuis bij zaken als vrijheid van meningsuiting en mensenrechten, vond hij het ‘moeilijk in te zien waarom juist hier terughoudendheid zou moeten worden betracht.’[10] De conclusie dat het beter was gehoor te geven aan de wens van de Kamer was unaniem. 

Van den Broek bleef overtuigd van zijn gelijk, maar kon niet anders dan zich erbij neerleggen. De aanpassingen die hij had gewenst werden ongedaan gemaakt en Havels rede werd op 13 november volledig voorgedragen. In de kerk klonk er applaus toen Tryska uitsprak dat de waardering voor Havels werk in diens optiek ook een waardering voor Charta inhield.[11]

 

Uitreiking Erasmusprijs aan Tsjechische toneelschrijver en essayist Václav Havel.
Uitreiking Erasmusprijs aan Tsjechische toneelschrijver en essayist Václav Havel. De prijs wordt door prins Bernhard overhandigd aan František Janouch. Bron: Nationaal Archief, Anefo, Rob Croes

Hernieuwde aandacht na 1989

De afwikkeling van de kwestie was voor Van den Broek in meerdere opzichten zeer pijnlijk. Niet alleen had hij moeten toegeven aan de druk om de omstreden passage te laten voorlezen, ook de publieke hoon en vernedering van Lubbers’ net niet openlijke terechtwijzing had hij machteloos moeten ondergaan. Helaas voor hem bleef de beproeving voortduren, want de media leken van de kwestie maar geen genoeg te krijgen. Zeker toen Havel na de val van het communistische regime in 1989 tot president van Tsjechoslowakije gekozen werd, kreeg de affaire weer hernieuwde aandacht. ‘De Nederlandse regering zou er goed aan doen wanneer ze onmiddellijk, voor het te laat is, president Havel zou uitnodigen voor een staatsbezoek aan ons land’, schreef bijvoorbeeld het NRC Handelsblad, ‘[w]ant juist nu, nu het herwonnen “vrije woord” in Tsjechoslowakije zo treffend wordt gepersonifieerd door president Václav Havel, zou ons land een lelijke vlek kunnen wegpoetsen in de verhouding met Havel in het bijzonder en de vrijheid van meningsuiting in het algemeen.’[12]

Dat vond ook Doeke Eisma, de buitenlandwoordvoerder van D’66 in de Tweede Kamer. Zou het niet goed zijn als de minister van Buitenlandse Zaken Havel ‘als een soort compensatie voor toen’ snel zou uitnodigen voor een bezoek aan ons land?, vroeg hij Van den Broek bij de behandeling de begroting van het ministerie.[13] ‘Ik vraag mij af, voorzitter’, verzuchtte de minister in zijn reactie getergd, ‘of hier niet eens een einde aan kan komen.’ Het stoorde hem mateloos dat vier jaar na dato de gebeurtenissen rond de uitreiking van de Erasmusprijs nu weer werden opgerakeld. Niet alleen was de hardnekkige suggestie dat er destijds censuur zou zijn gepleegd in zijn optiek onjuist, ook leek het hem niet in het belang van de uitstraling van Nederland om de mythe in stand te houden dat de minister van Buitenlandse Zaken op dat punt ‘niet zuiver op de graat zou zijn’.[14]

Volgens de media was ook de Tsjechoslowaakse president zelf Van den Broeks handelswijze nog niet te zijn vergeten. Toen Havel Nederland eind 1991 aandeed als onderdeel van een rondreis door Europa noemde hij in zijn persconferentie Van den Broeks naam niet éénmaal, terwijl Van den Broeks voorganger op Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel (PvdA) alle lof kreeg toegezwaaid en er waarderende woorden waren voor Lubbers, koningin Beatrix en de leden van het comité dat hem in 1986 de Erasmusprijs toekende.[15] Wat Van den Broek ook deed, de kwestie-Havel bleef een smet op zijn politieke blazoen die niet snel meer zou worden vergeten.

Literatuurverwijzing

[1] Met dank voor het advies van Johan van Merriënboer.

[2] Handelingen II 1985/87, 21 oktober 1986, p. 13-636 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000106625).

[3] Voor een uiteenzetting van de gebeurtenissen, zie ook: Floribert Baudet, ‘Het heeft onze aandacht’. Nederland en de rechten van de mens in Oost-Europa en Joegoslavië, 1972-1989 (Amsterdam 2001), p. 197-199.

[4] ‘Erasmusprijs voor Havel’, Het Parool, 23 januari 1986; NA, notulen MR, 24 oktober 1986.

[5] ‘Erasmus-prijs gaat naar Charta-auteur Vaclav Havel’, de Volkskrant, 23 januari 1986.

[6] ‘Havel komt niet naar prijsuitreiking’, NRC Handelsblad, 24 januari 1986.

[7] NA, notulen MR, 24 oktober 1986.

[8] Handelingen II 1986/87, 21 oktober 1986, p. 13-643 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000106625).

[9] Handelingen II 1986/87, 28 oktober 1986, p. 16-835 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000106628).

[10] NA, notulen MR, 24 oktober 1986.

[11] ‘Kwestie Havel blijft knagen aan geweten Van den Broek’, Trouw, 21 maart 1991.

[12] Gijsbert van Es, ‘Invitatie aan president Havel zou een smet wegnemen’, NRC Handelsblad, 29 december 1990.

[13] Handelingen II 1989/90, 23 januari 1990, p. 30-1468. (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000035216).

[14] Handelingen II 1989/90, 25 januari 1990, p. 32-1598 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000035218).

[15] ‘Van den Broek door Havel op de hak genomen’, de Volkskrant, 23 maart 1991; ‘Havel “negeert” Van den Broek’, Trouw, 23 maart 1991; ‘Lof Havel voor Van der Stoel’, Algemeen Dagblad, 23 maart 1991.

Contactinformatie

Dit blog is geschreven door Hilde Reiding in het kader van het onderzoeksproject over de parlementaire geschiedenis in de jaren tachtig. Ben je benieuwd naar de andere blogs? Hier vind je een overzicht. 

Onderzoeksproject Serie Parlementaire Geschiedenis 

Blogreeks Wandelingen door de Handelingen