Oprichtingscongres Partij van de Arbeid, 9 februari 1946. Foto: Charles Beijer, Nationaal Archief / Anefo.
Op 9 februari 2026 blaast de Partij van de Arbeid tachtig kaarsjes uit. Een bijzondere verjaardag, vanwege de respectabele leeftijd, maar ook omdat het in principe haar laatste verjaardag is. De steeds nauwere samenwerking met GroenLinks moet in de zomer van 2026 leiden tot de oprichting van een nieuwe partij. Terwijl partijmastodonten hun zorgen uitten over het einde van de Nederlandse sociaaldemocratie, klinken in de actuele discussies juist echo’s uit de rijke partijgeschiedenis.
Geschreven door Wiek van Gemert
Hoe moet je als linkse partij een breed en divers electoraat aanspreken? Het is een cruciaal vraagstuk binnen de jubilerende PvdA. Na de zetelimplosie die volgde op het tweede kabinet-Rutte bleef een electoraat achter met historisch weinig arbeiders en een oververtegenwoordiging van theoretisch opgeleide kiezers. De kiezers van GroenLinks die men verwelkomt hellen zelfs nog sterker die kant op.1 Dit culmineert in PvdA-kringen in een (vaak gesimplificeerde) discussie over ‘het terugwinnen van de arbeider’, regelmatig verbonden aan tegenstellingen tussen kiezersgroepen op de sociaal-culturele as van het politieke spectrum.
Een zoektocht naar verbreding van het electoraat is niet nieuw voor de PvdA en was in 1946 zelfs een drijvende kracht achter haar oprichting. De fusie tussen de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en de Christelijk-Democratische Unie (CDU) zou het verzuilde landschap van voor de oorlog moeten doorbreken. Niet alleen de klassieke arbeidersachterban van de SDAP zou zich bij de partij thuis moeten voelen, maar ook christelijke arbeiders en liberale middenstanders. Het verenigen van verschillende kiezersgroepen bleek voor de jonge PvdA echter geen sinecure.
De verzuiling liet zich niet door een enkele partij doorbreken en een meer diverse achterban was bovendien moeilijker te bedienen met een enkel verhaal. De Amerikaanse socioloog Seymour Martin Lipset beschreef reeds in de jaren vijftig hoezeer de opvattingen van de arbeiders- en middenklasse verschilden op het gebied van orde, gezag en individuele vrijheid.2 Dit maakte het voor de PvdA ingewikkeld om zowel de arbeiders die op de SDAP stemden als de hoogopgeleide middenstanders van de VDB aan te spreken. Ook in de daaropvolgende tachtig jaar stak de discussie over kiezersgroepen herhaaldelijk de kop op. Van Den Uyl die de een radicalere generatie probeerde te binden met behoud van de meer pragmatische centrumkiezer tot Kok die juist kiezers uit de middenklasse probeerde te verleiden zonder de arbeiders te vervreemden.3
Principieel of pragmatisch
De zoektocht naar het verbreden van het electoraat ging zowel in heden als verleden gepaard met een zoektocht naar de politieke grondhouding van de partij. Anno 2026 uitten partijmastodonten zorgen dat GroenLinks te activistisch zou zijn; in 1946 klonken klachten dat de nieuwe PvdA juist te weinig principieel was. Hoewel in de laatste vooroorlogse jaren de meer praktische vleugel de boventoon voerde, kende de SDAP ook een idealistische traditie. De nieuwe PvdA richtte zich op bestuurlijke verantwoordelijkheid; de partij maakte bij haar oprichting direct deel uit van de regering en leverde zelfs de premier. Deze tegenstelling tussen principieel en pragmatisch kwam met het uitroepen van de onafhankelijkheid van Indonesië direct onder hoogspanning. Ondanks hevige oppositie binnen de partij (meer dan vierduizend leden vertrokken uit protest), steunde de PvdA vanuit het kabinet twee koloniale oorlogen, overtuigd zich zo te kunnen bewijzen als volwassen bestuurderspartij.4 Doorheen haar geschiedenis zou de PvdA zowel principieel als pragmatisch opereren. Zo zag de partij onder Den Uyl het als haar verantwoordelijkheid om een tegengeluid te laten horen tegen de neoliberale consensus, terwijl de partij onder zijn opvolger Kok het juist als zijn taak zag mee te bewegen om zo regeringsverantwoordelijkheid te kunnen dragen.
Een aanstaande fusie zet in de eerste plaats dergelijke reeds bestaande tegenstellingen onder spanning, zo bleek ook uit een eerdere nauwe samenwerking met de (traditioneel) kleinere linkse partijen. Vanaf eind jaren zestig werkte de PvdA nauw samen met D’66 en de PPR, resulterend in onder meer een gezamenlijk schaduwkabinet en een gezamenlijk verkiezingsprogramma. Even leek deze samenwerking af te stevenen op een fusie tot één ‘Progressieve Volkspartij’ (PVP). Deze steeds nauwere samenwerking kon echter op verzet rekenen binnen de PvdA. Het was voor Willem Drees één van de redenen om zijn lidmaatschap op te zeggen en zijn sympathie uit te spreken voor afsplitsing DS’70, dat zich verzette tegen de ‘te linkse’ koers en zich presenteerde als erfgenaam van de naoorlogse, meer pragmatische PvdA. PvdA-jongerenorganisatie FJG zag de mogelijke fusiepartij juist als te centristisch: men zou alleen een partij goedkeuren die de kapitalistische maatschappijstructuur afwees en de naam Socialistische Volkspartij voerde.5 Parallellen met hedendaagse bewegingen als Rood Vooruit en LinksBoven liggen voor het oprapen.
Het einde van de sociaaldemocratie?
De grootste zorg van hedendaagse interne criticasters lijkt uiteindelijk het verlies van dé sociaaldemocratie waarvan de PvdA het vaandel draagt. Als het tachtigjarig bestaan van de PvdA ons iets leert is het echter dat dé sociaaldemocratie in Nederland niet bestaat, of op zijn minst historisch gezien niet eenvormig is. De neocorporatistische sociaaldemocratie van Drees, de democratiseringssociaaldemocratie van Den Uyl en de neoliberale sociaaldemocratie van Kok zijn, hoe verschillend ook, allemaal wezenlijke onderdelen van de PvdA-geschiedenis en daarmee van de geschiedenis van de Nederlandse sociaaldemocratie. Het samenbrengen van kiezersgroepen; van idealisme en pragmatisme; van verschillende stromingen binnen een partij: hun actuele urgentie markeert niet het naderende einde van de sociaaldemocratie in Nederland, maar past juist uitstekend in haar traditie.