De honderdste verjaardag kwam natuurlijk ook aan bod. Die was in stilte gevierd. De Jong vertelde met smaak hoe hij erin was geslaagd om alle bezoek af te wimpelen. De marinierskapel had willen langskomen, de minister-president eveneens en de buurt vroeg of ze een aubade mochten brengen. Iedereen was beleefd bedankt met de mededeling dat het Goede Vrijdag was en dat de oud-premier die in stilte wilde doorbrengen. Alleen een fotograaf van het ANP was langs geweest voor een reportage. De Jong had veel post gekregen. Een doos vol, die later naar het KDC zou gaan. Daar zit onder meer een vrolijke brief in van een oud-bemanningslid van de jager Hr.Ms. Gelderland. De man schreef dat De Jong hem vaak ‘met licht en zwaar arrest’ had moeten straffen, ‘maar U was een goede commandant’. In april was De Jong, met dochter Maria, aanwezig geweest bij de herdenking van de onderzeedienst. Daar was voor hem gezongen. Een van de reünisten had Maria opgedragen: ‘Zorg dat hij er volgend jaar weer bij is’.
Op 17 september was de eerste ‘P.J.S. de Jong innovatie-prijs’ uitgereikt. De prijs is door TNO ingesteld voor innovatie op militair-maritiem gebied met een maatschappelijke impact. De prijs was naar De Jong vernoemd omdat hij ‘steeds een lichtend voorbeeld [was] in het samenbrengen van militaire precisie en maatschappelijk nut’. De uitreiking – bijgewoond door dochter Maria en kleinzoon Bart – vond plaats in de oude RDM-hal. ‘Kade 59’, waar nota bene de onderzeeboot Hr.MS O-24 nog was gebouwd. En waarvandaan De Jong in de meidagen van 1940 naar Engeland was gevaren.
De Jong vertelde hoe hij die avond in het donker aan de noordkant van de Nieuwe Waterweg langs de brandende havens voer. De O-24 werd nog beschoten door Nederlandse troepen. Eenmaal buitengaats, ging De Jong onder water. Daar lagen ze aanvankelijk aan de grond op dertig meter diepte. De boot was te zwaar beladen. ‘We waren allemaal zo moe. We zijn eerst maar gaan slapen.’ Uiteindelijk lukte het om de boot weer vlot te krijgen en werd in het Kanaal koers gezet naar Engeland.
Na de aankomst in Engeland werd de O-24 bezocht door koningin Wilhelmina. ‘Zij had belangstelling voor militaire zaken en kon uitstekend met iedereen een praatje maken. “Hoe gaat het? Met de gezondheid?”’ De bemanning stond in het gelid klaar. Rechts van De Jong stond de schipper van de O-24. Deze man had de merkwaardige gewoonte dat hij tijdens een gesprek steeds zijn broek ophaalde. ‘“Schipper, U ziet er gezond uit’, zei Wilhelmina. Waarop de schipper antwoordde (zijn broek ophalend) “Majesteit, dat is deels frisse lucht en deels sterke drank.” Daar had de koningin veel plezier om, zoiets zei men niet gauw tegen het haar aan het hof.’ Na afloop van het koninklijk bezoek was er ’s avonds een groot diner geweest met alle officieren. De Jong (‘Ik was nog een kleine luitenant-ter-zee tweede klasse’) zat helemaal aan het uiteinde van de tafel. De voorzitter – een kolonel – brulde hem van verre toe: ‘En De Jong, zei de koningin niet “De Jong wat ben je klein”?’ De Jong riep terug: ‘Nee, kolonel, de koningin heeft tact.’