Het Nederlandse schoolstelsel bestaat voor een groot deel uit eilanden. Het begint al in mindere mate in het basisonderwijs waar kinderen in zogenaamde bouwgroepen of plusgroepen kunnen worden ingedeeld. Vervolgens word je, op meestal twaalfjarige leeftijd, gesorteerd naar een niveau1. Na dat niveau volgt een 'beperkte keuze' (woordspeling2) voor een vervolgopleiding. De personen die op andere niveaus terecht zijn gekomen verlies je vaak uit het oog en kom je niet zomaar meer tegen. Deze niveau-indeling wordt je eigen eiland en vormt mede je wereldbeeld.
Ik ben trots op hoe ons schoolstelsel en de leerlingen gedragen worden op de schouders van bevlogen docenten en schoolbesturen. Met mij hopen veel van hen dat de leerlingen op de verschillende eilanden vaker, of misschien zelfs veelvuldig, met elkaar in aanraking kunnen komen. Met en van elkaar zouden kunnen leren. Door het uitwisselen van verschillende perspectieven en aanpak komen tot betere oplossingen én waardering voor elkaar. Naast een meerwaarde voor het onderwijs zou dit als “bijvangst” ook nog kunnen leiden tot meer inzicht in, en wellicht zelfs begrip voor, elkaars wereldbeeld.
In de ideale situatie wordt deze kruisbestuiving ingebouwd in zowel het voortgezet als middelbaar beroeps- en hoger onderwijs. Bijvoorbeeld studenten van MBO, HBO en universiteit die samen-werken, in tijd en ruimte, aan een project. Er zijn al enkele onderwijspilots met een dergelijke samenwerking als doel. De grootste horde blijkt echter het systeem. De inrichting van het onderwijs, de jaarkalender, de OERen2 – goedbedoelde maar rigide systemen die de kaders van ons onderwijs bepalen. Menig pilot heeft zich als een Don Quichot in gevecht met windmolens3 verslagen teruggetrokken op het eigen eiland of wist zich verloren in de bureaucratie van aanwezige processen4.
Op onze faculteit (FNWI) wordt op dit moment door betrokken medewerkers en studenten gewerkt aan een facultaire onderwijsvisie. Naast hoe wij kritisch denkende en (zelf)bewuste academici en verantwoordelijke wereldburgers kunnen opleiden, komt het flexibiliseren van ons onderwijs aan de orde. Het systeem moet de mens dienen, niet andersom. Een “cunning plan”5 heb ik helaas (nog) niet, maar laten we als eerste stap het systeem wat meer ont-regelen, zodat er ruimte en mogelijkheden ontstaan voor uitwisseling van perspectieven.