"Pro Caecina" – https://www.e-codices.unifr.ch/en/description/bge/lat0101/ (Creative Commons)
Het zou Cicero niet veel moeite gekost hebben om in het hedendaagse politieke debat te floreren. Als het toonbeeld van de welsprekendheid wist hij moeiteloos de belangen van zijn cliënt te verzoenen met die van zichzelf. Een duidelijk voorbeeld biedt de juridische redevoering Pro Caecina.
In 69 v.C. neemt Marcus Tullius Cicero (106 – 43 v.C.) het op voor een zekere Caecina in een eigendomsgeschil. Zijn doel? De rechters overtuigen, uiteraard. Voor een Romeinse redenaar verloopt dat echter anders dan vandaag de dag. De rechters ten tijde van Cicero zijn namelijk leken. Het zou in de rechtszaal niet voldoende effect sorteren om met een puur zakelijk verhaal de eigen zaak te bepleiten. Onmisbaar voor het instrumentarium van de redenaar is het retorische drieluik (ethos, pathos, logos). Veel redevoeringen staan dan ook bol van de retorische kunstgrepen, de Pro Caecina inbegrepen. Opmerkelijk genoeg wijdt Cicero het sluitstuk van zijn redevoering, normaal gesproken het punt waar door middel van ethos en vooral pathos sympathie voor de cliënt wordt opgewekt, niet aan het individuele belang van Caecina. Daarentegen maakt hij de punten die op zijn eígen politieke agenda staan op een retorisch verfijnde wijze kenbaar. In 69 v.C. zijn deze voor Cicero de volgende: stel je enerzijds op als een man van het volk door kritiek te uiten op de elitaire senaat, maar houd anderzijds de leden van deze eerbiedwaardige instelling te vriend. Ofwel: spaar de kool en de geit. Slechts op deze (populistische?) manier kan Cicero een gooi doen naar de lonkende kroon van de Romeinse republiek: het consulaat.
De relevante feiten van de casus luiden grofweg als volgt. Een zekere Caesennia benoemt in haar testament haar echtgenoot Aulus Caecina tot erfgenaam. Deze Caecina is afkomstig uit Volaterrae (het huidige Volterra). Als reactie op de erfstelling opent de gepikeerde Sextus Aebutius, ex-zaakwaarnemer van Caesennia, de aanval op Caecina. De inzet is een boerderij waarvan Caecina meent dat deze hemzelf toebehoort. Caecina geeft zich daarom niet zonder meer gewonnen. Een lange rechtszaak volgt: de Pro Caecina lijkt de redevoering te zijn van de derde hoorzitting.
Algauw blijkt Caecina’s herkomst van groot belang te zijn. In beginsel is een Romeins burger namelijk bevoegd om te erven – en de inwoners van Volaterrae beschikten sinds de Bondgenotenoorlog (91-88 v.C.) over het volledige Romeinse burgerrecht. Nog geen decennium raakten zij dat burgerrecht echter alweer kwijt door toedoen van de dictator L. Cornelius Sulla. Dit biedt een opening voor Aebutius. Nu kan hij immers stellen dat Caecina überhaupt niet gerechtigd is om te erven. In dat geval zou Caecina niets van de erfenis van zijn overleden vrouw zien…
Het pareren van deze aanval doet Cicero, zoals gezegd, op een opmerkelijke manier. Om zijn strategie goed te kunnen begrijpen is het eerst van belang om de persoon Sulla nader onder de loep te nemen. Hoewel hij ten tijde van de Pro Caecina al bijna tien jaar was overleden, was men zijn naam nog lang niet vergeten.
Toen Sulla in 82 v.C. na een bloedige burgeroorlog de macht in Rome gegrepen had, maakte hij onmiddellijk schoon schip. Op zogeheten proscriptielijsten verklaarde Sulla zijn vijanden vogelvrij, wier bezittingen vervolgens werden geconfisqueerd. Daarop volgde een groot aantal hervormingen die met name gericht waren op machtsbehoud of machtsuitbreiding van de senaat. De bevoegdheden van het volk werden daarentegen fors ingeperkt – een uitgesproken aristocratisch beleid.
Sulla’s honger naar politieke zuivering bleef onstilbaar. Tijdens zijn regeerperiode verzetten enkele steden zich op fysieke wijze tegen de Sullaanse legers. Ter vergelding ontnam Sulla aan hun inwoners het Romeinse burgerrecht middels een wet. Deze wet – de wet die ik aanduid als de lex de civitate (“de wet over het burgerrecht”), en die ook Volaterrae trof – vormt de juridische basis voor Aebutius’ aanval dat Caecina geen aanspraak maakt op de nalatenschap van Caesennia.
Nu is Cicero aan zet. Het is deze stellingname van Aebutius die hij met beide handen aangrijpt om subtiel de punten die op zijn eigen politieke agenda staan duidelijk te maken. Zoals genoemd is één daarvan het behartigen van de belangen van het volk. Maar waarom? Welnu, buiten de rechtszaal vervult Cicero het ereambt van aediel – een functie die het goed doet op het cv van een ambitieuze Romein. In deze functie is hij verantwoordelijk voor de organisatie van publieke voorzieningen en spelen, en komt hij intensief met het volk in aanraking. Een volkse (of populistische) opstelling is voor Cicero dus nauwelijks verbazingwekkend. Toch is voorzichtigheid geboden. Cicero komt namelijk niet uit een van de senatoriale families: hij heeft zijn plek binnen de senaat op eigen kracht moeten veroveren. Zich de vijandigheid van de senatoren op de hals halen zou betekenen dat hij het consulaat wel op zijn buik kan schrijven. Op eieren lopen dus.
Allereerst zet hij in een verheven relaas uiteen dat het Romeinse burgerrecht in geen geval ontnomen kan worden. In dat geval zou de lex de civitate wederrechtelijk zijn. Een spraakmakend argument voor het Romeinse volk, dat nooit geheel zeker was van zijn positie – iets wat de vergeldingen van Sulla duidelijk hadden gemaakt. Tegelijkertijd duidt Cicero tussen neus en lippen door de tijd van Sulla’s regering aan een rampzalige periode. Hij positioneert zichzelf daarmee lijnrecht tegenover Sulla, en schetst hem als het ware als een volksvijand.
Hierbij blijft het niet. Het gegeven dat de advocaat van Aebutius, C. Calpurnius Piso, bekendstaat als een van de meest conservatieve leden van de senaat legt des te meer nadruk op Cicero’s strategie. Het conservatieve gedeelte van de senaat was immers gericht op machtsbehoud van de senaat en steunde de hervormingen van Sulla dus van ganser harte. Het is alsof Sulla terechtstaat, met Piso als zijn raadsman, tegenover Cicero, de aanklager namens het volk. Over de senaat zelf rept Cicero echter met geen woord.
De climax volgt niet veel later. In de laatste zinnen van het argument vermeldt Cicero terloops dat de Volaterranen áltijd het recht hebben gehad om te erven. De bevoegdheid om te erven valt namelijk niet onder de reikwijdte van de lex de civitate, aldus Cicero. In het voorgaande heeft Cicero er dus doelbewust voor gekozen uitgebreid de wederrechtelijkheid van de lex de civitate te benadrukken – iets wat achteraf gezien irrelevant is. Dit bood hem wel de mogelijkheid om zich op te werpen als bewaker van de vrijheden en rechten van het Romeinse volk, en dus ook als tegenstander van de machtscontrole door de elite. Maar hij kiest er bewust voor het laatste niet expliciet te benoemen, om de senaat niet onnodig tegen zich in het harnas te jagen. Een uitgekiemde werkwijze, zo lijkt het.
Wat Cicero in de Pro Caecina doet, is geen unicum. Ongeveer een jaar eerder, in een van de grootste rechtszaken van zijn tijd (tegen C. Verres in 70 v.C.), keerde Cicero zich namelijk eveneens tegen het conservatieve deel van de senaat. Juist daarom lijkt Cicero ook in de Pro Caecina zijn eigen mening te ventileren, waarbij hij de rechtszaal gebruikt als podium. Cicero’s strategie in deze redevoering staat dus niet op zichzelf. En de manier waarop hij deze strategie vormgeeft, getuigt van een knap staaltje retorica. Door zijn kritiek zorgvuldig te verpakken weet Cicero zowel het volk als de elite tevreden te stellen – ofwel: om de kool en de geit te sparen. Dit alles terwijl de rechtszaak in wezen draait om de erfenis van Caecina’s overleden vrouw. Cicero laveert dus moeiteloos tussen de verschillende belangen die in deze rechtszaak spelen. Een dergelijke werkwijze zal Cicero in de toekomst nog vaak van pas komen.