In Memoriam Willy van Lieshout

Op 14 oktober jongstleden overleed ir Willy van Lieshout, langjarig voorzitter van het College van Bestuur (1974 – 1991) van wat toen nog de Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Universiteitshistoricus Jan Brabers schreef een In Memoriam.

In Memoriam Willy van Lieshout

Ir. Willy van Lieshout, voorzitter college van bestuur Radboud Universiteit tussen 1974 en 1991. Foto: Katholiek Documentatie Centrum

De zeventien jaren van Van Lieshouts voorzitterschap behoren tot de somberste in de universiteitsgeschiedenis. Zijn periode werd getekend door harde confrontaties met de studentenbeweging, pijnlijke bezuinigingen, dalende studentenaantallen, toenemende overheidsdruk, wrange identiteitsdiscussies en slopende vergaderingen in een plat radenstelsel. Aan Van Lieshout heeft het allemaal niet gelegen. Hij was een energiek, bevlogen en gepassioneerd bestuurder en crisismanager, begiftigd met zowel zitvlees als creativiteit, die nooit opgaf voordat er een besluit was genomen dat de universiteitszaak zijns inziens het beste zou dienen.

Van ingenieur tot onderwijsbestuurder

Wilhelmus Christiaan Marie van Lieshout werd in 1928 geboren in een welgesteld liberaal-katholiek milieu in Maastricht, de stad die hij zou blijven liefhebben en waarin hij ook kwam te overlijden. Na de middelbare school studeerde hij werktuigbouwkunde aan de HTS te Heerlen, later ook elektrotechniek in Aken. Hij werkte bij DSM en bij een bureau voor beroepsonderwijs totdat hij in 1961 op de leeftijd van 32 jaar werd aangesteld als directeur van de HTS in Eindhoven. Zijn belangstelling en talent voor onderwijsorganisatie kon zich vrijelijk ontplooien, in Eindhoven zelf, waar hij de HTS incorporeerde in een door hem opgezet Instituut voor Hoger Beroepsonderwijs, maar ook in tal van nevenactiviteiten elders. Bij zijn aantreden in Nijmegen in 1974 had Van Lieshout 38 bestuursfuncties, voor het overgrote deel bij organisaties op het vlak van onderwijs. Meestentijds was hij voorzitter.

Nijmeegse universiteit in de jaren zeventig

Zijn komst naar Nijmegen stuitte op bedenkingen en op regelrechte weerstand. Sommige hoogleraren twijfelden of een man afkomstig uit het hoger beroepsonderwijs leiding kon geven aan een universiteit, een universiteit die bovendien roerige tijden beleefde. De positie van collegevoorzitter was betrekkelijk nieuw en nog niet vastomlijnd. Zij was in 1972 tot stand gekomen op basis van de Wet Universitaire Bestuurshervorming. Dezelfde wet had de universiteit ‘gedemocratiseerd’, waarmee het recht op inspraak en medezeggenschap voor alle geledingen was ingevoerd. De linksradicale studentenbeweging, toentertijd uiterst activistisch en niet vies van een relletje, keerde zich bij voorbaat tegen de benoeming van Van Lieshout. Hij stond bekend als een sterk hiërarchisch denkende figuur met een uitgesproken voorliefde voor doelmatig management – geheel tegen de geest van de beginselen van democratisering in, zo leek het. Daarenboven kwam de kandidatuur van Van Lieshout nota bene uit de koker van Sjeng Kremers, de voorzitter van de  stichting Katholieke Universiteit en een politieke vriend binnen de KVP. De Universiteitsraad sprak derhalve zijn veto uit en even hing een rel in de lucht. Toch bleef die uit, mede dankzij het initiatief van Van Lieshout om met de U-raad in alle openheid over zijn benoeming te komen overleggen. Ook later, toen de verhoudingen binnen de gedemocratiseerde universiteit uitkristalliseerden, zij het slechts moeizaam en in ellenlange avondlijke en soms nachtelijke vergaderingen van de U-raad, kwamen Van Lieshouts vindingrijkheid, zijn charme en zijn vermogen om eindeloos plooien glad te strijken meer dan eens van pas.

Bezuinigen, bezuinigen, bezuinigen

Een treurig thema in de periode-Van Lieshout waren de structurele bezuinigingen die ten gevolge van economische crises en ombuigingen vanaf medio jaren zeventig van overheidswege moesten worden doorgevoerd. Voor het eerst in de geschiedenis diende de Nijmeegse universiteit de broekriem aan te halen. Op alle terreinen stokte de groei, enkele studierichtingen moesten worden opgeheven en onder het personeel, van restaurantmedewerkers tot hoogleraren, was er sprake van grote spanningen, van angst, pijn en opstandigheid. Een en ander ging ook de collegevoorzitter niet in de kouwe kleren zitten. Leiding geven aan een krimpende organisatie bleek lastig, te meer daar die organisatie werd bevolkt met kritische geesten en de besluitvorming binnen de ‘radenuniversiteit’ nogal stroperig was. Voorts ontwikkelde Van Lieshout een grondige hekel aan de complexiteit van de bezuinigingsnota’s van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en aan de centraliserende werking die van de overheidsplannen uitging. Om het ministerie in het vervolg voor te zijn lanceerde het College van Bestuur onder Van Lieshout begin jaren tachtig een lokaal bezuinigingsplan, de ’30 procent-actie’, dat de faculteiten opdroeg aan te geven hoe zij in de komende vijftien jaar dertig procent op hun uitgaven konden bezuinigen.

Alles naar campus Heyendael

Vanzelf liet Van Lieshout zich in met nieuwe ideeën over de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek. Zo was hij betrokken bij de ontwikkeling van plannen voor de bekostiging van onderzoek binnen brede programma’s, de Voorwaardelijke Financiering. Zijn hart – en deskundigheid – lag echter bij het onderwijs. Hij hield er tal van toespraken over en werd een gangmaker van onderwijsvernieuwing. In 1984 nam hij het initiatief tot jaarlijkse ‘onderwijsgesprekken’ met de faculteiten, waarin hij de decanen en hun medewerkers in diverse ronden aan de tand voelde over allerlei aspecten van het onderwijs. In 1987 legde hij de basis voor een systematische evaluatie van het onderwijs. Het is een voorbeeld van de centralisatie die hij nastreefde binnen de universiteit – tegen de keer in, want de faculteiten werden steeds onafhankelijker eenheden. De drang tot centralisatie kwam ook in steen tot uitdrukking: in Van Lieshouts tijd verhuisden alle in de stad gevestigde faculteiten naar het voormalige landgoed Heyendael, waar een campus in het groen ontstond.

Meer dan een naam

Een heikele kwestie, die Van Lieshout zeer ter harte ging, was het debat over een nieuwe invulling van de katholieke identiteit van de universiteit, nadat de bodem daaronder in voorgaande jaren was weggeslagen. Hij schreef er eigenhandig enkele nota’s over, onder andere het doorwrochte Katholieke Universiteit Nijmegen. Meer dan een naam. De identiteit in relatie tot de grondslag uit 1985. Tot zijn spijt kreeg hij er de handen niet voor op elkaar. In zijn afscheidsrede uit 1991 stond hij stil bij de relatie tussen universiteit en kerk – een thema dat kort na zijn overlijden weer actueel zou worden. Die relatie moest volgens hem gebaseerd zijn op loyaliteit, ‘juist en vooral wanneer er spanningen zijn en de relaties onder druk staan’. Spanningen waren er van nature, aldus Van Lieshout. Een universiteit moet immers op zoek naar de waarheid en daarbij open vragen stellen en die in vrijheid en op basis van wetenschappelijke methoden beantwoorden. Dat uitgangspunt veronderstelde ‘een zekere grondhouding van onafhankelijkheid ten opzichte van gezag en gangbare axioma’s’ en gaf dus als vanzelf aanleiding tot frictie in relatie tot de leer van de kerk, aldus de scheidend collegevoorzitter, die niet kon bevroeden dat die frictie nog eens zou leiden tot een breuk.

Nadrukkelijk aanwezig

Van Lieshout was een slimme, krachtige bestuurder, met ‘de neiging om eindeloos te analyseren en te rationaliseren, of anders gezegd: om de dingen van hun emoties te ontdoen’ aldus onderwijsminister en veelvuldig gesprekspartner Wim Deetman. In het Nijmeegse bestuursgebouw liep niet iedereen met hem weg. Van Lieshout gold als een individualist, was graag al te nadrukkelijk aanwezig en liet zijn collega’s en medewerkers nogal eens te weinig ruimte. Hun goede ideeën werden dan opeens zijn goede ideeën. Bij kritiek op zijn optreden kon hij geïrriteerd reageren. Hij voelde zich nadrukkelijk verantwoordelijk voor het wel en wee van de universiteit, zijn universiteit. Dat die houding belastend kon zijn voor medewerkers die ook een verantwoordelijkheid voor de universiteit hadden, wilde hij niet altijd beseffen. Zijn verdiensten voor de universiteit zijn boven elke twijfel verheven. Langer dan wie ook in de geschiedenis van de Radboud Universiteit stond hij aan het hoofd van deze complexe organisatie. Hij loodste de universiteit door een moeilijke tijd. Dat zij er zonder al te grote kleerscheuren uit tevoorschijn kwam, is voor een belangrijk deel te danken aan haar collegevoorzitter, Willy van Lieshout.

Aan deze website wordt nog gewerkt. Meer informatie: 'een nieuwe website'.