Formateur Burger ontvangt Den Uyl en de kandidaat-ministers van de ARP Jaap Boersma en W.F. de Gaay Fortman, 2 april 1973. Foto: Rob Mieremet, Nationaal Archief / Anefo.
Het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis analyseert in de Formatieblog de zoektocht naar een nieuwe regeringscoalitie. In de vierde blog gaat Alexander van Kessel in op de rol van de informateur(s) en die van partijleiders en licht hij een aantal bijzondere informateurs uit het verleden uit.
Nadat het tumult over Hans Wijers vorige week vrijdag was geëindigd in diens exit, kon deze week dan toch een begin worden gemaakt met de exercitie die over drie weken tot een ‘positieve agenda’ voor het volgende kabinet moet leiden. Het resultaat van die besprekingen zou niet afhankelijk moeten zijn van de informateur(s). Voor de voortgang van de kabinetsformatie zijn de gekozen politici verantwoordelijk, niet de door hen als procesbegeleiders aangetrokken buitenstaanders.1
Dat neemt niet weg dat er in de geschiedenis van de Nederlandse kabinetsformaties vindingrijke informateurs en formateurs zijn geweest.
1973: Burger
Dat was bijvoorbeeld het geval na de verkiezingen van 29 november 1972.2 De progressieve partijen PvdA, D’66 en PPR hadden campagne gevoerd op basis van het programma Keerpunt 1972, met daarin ‘ononderhandelbare eisen’. De PvdA, onder leiding van Den Uyl, werd bij de verkiezingen de grootste. Omdat – zoals steeds in de Nederlandse parlementaire geschiedenis – ‘links’ geen meerderheid had behaald, waren voor een meerderheidscoalitie toch weer de confessionelen nodig – en die hadden niet veel trek in onverkorte uitvoering van Keerpunt. Den Uyl adviseerde de koningin aanvankelijk aan te sturen op een progressief minderheidskabinet. Omdat de confessionelen weigerden daaraan gedoogsteun te geven viel die optie al snel af.
Nadat informateur Ruppert (ARP) de oplossing was gaan zoeken in de richting van een extraparlementair meerderheidskabinet, werd PvdA-kopstuk Jaap Burger benoemd als formateur om de impasse tussen de progressieven en de confessionelen te doorbreken en de christelijke partijen te verleiden tot gedoogsteun aan een progressief kabinet. Burger strikte twee linkse antirevolutionairen voor het ‘rode kabinet met de witte rand’: W.F. de Gaay Fortman en Jaap Boersma. Het leidde tot groot rumoer in de ARP, maar uiteindelijk ook tot gedoogsteun. Na deze geslaagde ‘inbraak’ bij de confessionelen forceerde Burger het afhaken van de CHU (‘notoir onwillig blok aan het been’). Daarmee had hij ook nog eens de drie christelijke partijen KVP, ARP en CHU, die op dat moment in een moeizaam overleg zaten om te komen tot één christendemocratische partij, uit elkaar gespeeld.
Na afloop van de formatie, tijdens het debat over de regeringsverklaring, toonde oppositieleider Hans Wiegel (VVD) bewondering voor Burger. Hij had diens manoeuvres gevolgd ‘met een mengeling van verbazing en “bewondering”. Zijn werkwijze was van een macabere schoonheid,’ aldus Wiegel.3
2021: Remkes
Al even vaardig was de methode die Johan Remkes hanteerde als informateur in september 2021. Nadat de fracties onder leiding van informateur Mariëtte Hamer vier maanden hadden gesproken over ‘de inhoud’ zonder een coalitiekeuze te kunnen maken, was nog steeds sprake van een impasse. Zowel Rutte en Buma (voor een kabinet met de ChristenUnie) als Kaag (voor een kabinet met GroenLinks en de PvdA) hielden vast aan hun coalitievoorkeur en een blokkade van de andere optie. Na vier weken slaagde Remkes, die als informateur eigenlijk de opdracht had de opties voor een minderheidskabinet te onderzoeken, erin om Kaag in beweging te krijgen en toch te laten instemmen met gesprekken over een meerderheidskabinet met de ChristenUnie.4
Tijdens het Kamerdebat over deze formatiefase, begin oktober, zei Klaver (GroenLinks) daarover: ‘Het is […] niet mijn gewenste coalitie, maar ik wil wel een groot compliment geven aan de heer Remkes. Ik had het genoegen om vorige week bij de onderhandelingen te mogen zitten. Ik dacht dat er lichtelijk werd overdreven over tot welke zaken hij in staat was, maar het verdient een compliment dat hij op de een of andere manier toch voor elkaar heeft gekregen dat de oude coalitie een doorstart kan maken. Ik weet nog steeds niet hoe hij dit gedaan heeft en ik ben er nog steeds beduusd van.’5
2010: Lubbers
Het is zelfs al eens voorgekomen dat een informateur zijns ondanks een doorbraak forceerde. Tijdens de formatie van 2010 was de kiezel in de schoen de rol die de PVV, die bij de verkiezingen forse winst had geboekt, zou moeten gaan spelen in de kabinetsvorming. Het CDA, nodig voor een kabinet met de partij van Wilders, was aanvankelijk afhoudend; de christendemocraten hadden principiële bezwaren tegen deelname aan een kabinet met de PVV.
Nadat de poging om te komen tot een Paars Plus-kabinet (VVD, PvdA, D66, GroenLinks) was mislukt, trad informateur Ruud Lubbers aan om alle opties weer te bekijken. Al tijdens zijn consultatieronde met alle fractievoorzitters kwam de oud-premier tot de conclusie dat een poging over rechts – dus met de PVV – onvermijdelijk was. Ook de fractievoorzitters van de partijen ter linkerzijde (Cohen, Halsema) meenden dat dat nu eerst maar eens serieus onderzocht moest worden, anders bleef die optie boven de markt hangen. De verwachting was dat het CDA regeringssamenwerking met de PVV zou blijven weigeren.
Lubbers koos vervolgens voor een ongebruikelijke werkwijze om te bekijken of regeringssamenwerking tussen VVD, PVV en CDA er al dan niet in zat. Hij liet de drie partijleiders – Rutte, Wilders en Verhagen – gedrieën overleggen, dus zonder informateur. Na vijf dagen waren ze eruit: er zou een VVD-CDA-kabinet komen, gedoogd door de PVV. Er was een ‘agreement to disagree’ over het karakter van de islam, maar er was ook – moest Lubbers concluderen – een ‘ferme wil’ om samen te werken.6
Regie bij de politiek leiders
De casus uit juli 2010 laat zien dat de rol van de (verkenner en) informateur(s) niet groter gemaakt hoeft te worden dan nodig. Het zijn de gekozen politici – en dan vooral de politieke aanvoerders – die de richting en uitkomst van de kabinetsformatie dienen te bepalen. Zij moeten er ook de volle verantwoordelijkheid voor nemen. Dat is ook in de geest van de procedurewijziging van 2012, toen de Tweede Kamer het initiatief in de kabinetsformatie naar zich toetrok. De politici moeten zich dan niet verschuilen achter ongekozen buitenstaanders die als procesbegeleider zijn aangezocht – hoe inventief die soms ook kunnen zijn.
1 Wilma Kieskamp, ‘Verder met één informateur hoeft geen probleem te zijn’, Trouw, 17 november 2025 (https://www.trouw.nl/politiek/verder-met-een-informateur-hoeft-geen-probleem-te-zijn~ba5fceb8/).
2 Alexander van Kessel, ‘Driestromenland met verraderlijke onderstromen; veranderende partijpolitieke breuklijnen in de Tweede Kamer’ in: Carla van Baalen en Anne Bos (red.), Grote idealen, smalle marges. Een parlementaire geschiedenis van de lange jaren zeventig (1971-1982) (Amsterdam 2022) p. 136-140; P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 (’s-Gravenhage 1982) p. 319 en verder.
3 Handelingen II 1972/73, 28 mei 1973, p. 1574.
4 Carla van Baalen, Alexander van Kessel, Paul Bovend’Eert en Mark van Twist, Het vertrouwen zoek. De kabinetsformatie 2021/22 geëvalueerd (Nijmegen 2023) p. 160-169.
5 Handelingen II 2021/22, 5 oktober 2021, nr. 7, item 23, p. 16.
6 Alexander van Kessel, ‘“Doe dit onze partij niet aan, doe dit ons land niet aan’. De formatie van het kabinet-Rutte I (2010)’ in: Carla van Baalen en Alexander van Kessel (red.), Kabinetsformaties 1977-2012 (Amsterdam 2016) p. 468-474.