Kletskoppenfestival 2024
Kletskoppenfestival 2024

Jacques Vriens is ambassadeur van het Kletskoppenfestival: ‘Van ieder kind een lezer maken’

Van ieder kind een lezer maken is altijd het doel geweest van kinderboekenschrijver Jacques Vriens. Toen hij meester was, maar ook nu hij al vijftig jaar kinderboekenschrijver is. Hij is Nederlands eerste Kinderboekenambassadeur en ook in de rol van ambassadeur aanwezig tijdens het Kletskoppenfestival: het gratis talenfestival dat op 22 februari in Nijmegen plaatsvindt.

Meer dan 90 boeken heeft Vriens op zijn naam staan: van de bekende serie Achtste groepers huilen niet tot zijn meest recente boek Kermiskind. Voor zijn tijd als kinderboekenschrijver was hij bijna vijfentwintig jaar meester, waarvan twintig jaar als directeur van twee verschillende basisscholen, waarbij hij nog wel zijn eigen klas behield. ‘Als ik nu op scholen kom om over lezen en mijn boeken te vertellen, voelt dat nog steeds als thuiskomen. Al zie ik toch vaak dat een directeur steeds meer afstand heeft.’ 

Kinderboekenschrijver Jacques Vriens

Vriens: ‘Uiteindelijk moet het allemaal gaan om leesplezier. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die van jongs af aan al leesplezier ervaren in groep 1 zo’n 4.000 woorden kennen. Terwijl kinderen die weinig met lezen in aanraking zijn geweest op dezelfde leeftijd maar zo’n 1.000 woorden kennen.’ Hij weet het uit zijn ervaring als meester als geen ander: ‘Kinderen die niet zijn opgegroeid met lezen, vragen zich in de klas maar één ding af: hoe kom ik door al die bladzijdes heen? Leerlingen vertelden me soms al na het lezen van twee bladzijden dat ze een boek stom vonden. Ik vroeg ze dan om in ieder geval drie bladzijden te lezen. Als ze het dan nog steeds stom vonden, zei ik ze het boek meteen om te ruilen. Het grappige was dat je een deel van de kinderen na die drie bladzijden niet meer terugkwamen naar mijn bureau omdat ze het boek toch wel leuker bleek dan ze dachten.’  

Vriens richtte in een hoek van zijn klaslokaal ook een plek in waar kinderen konden luisteren naar luisterboeken die hij deels zelf insprak. Hij toverde dit om tot ‘de melkmachine’. ‘Mijn grootste triomf was altijd, als kinderen die lezen lastig vonden dan na een aantal weken aan de melkmachine ineens tegen me zeiden: “nee ik ga vandaag niet aan de melkmachine, ik lees zelf wel.”’  

Klaslokaal 

Toen hij zelf nog als beginnende meester in Amsterdam voor de klas stond, was zijn eigen directeur één van zijn grootste fans. ‘Terwijl ik lesgaf, zag ik in de klas eigenlijk de wereld in het klein. Er gebeurt zoveel in zo’n klaslokaal: er ontstaan vriendschappen en verliefdheden maar er vinden ook pesterijen plaats. Al die verhalen schreef ik op. Mijn toenmalige directeur vond mijn boek prachtig en kende iemand bij een uitgeverij. Alleen die uitgever wees het af’, vertelt Vriens. ‘Zijn conclusie? Die was kort maar krachtig: ‘Nou meneer Vriens, ik denk dat u beter voor de klas kunt blijven staan.’’ 

Vriens liet zijn schoolverhaal ‘Die Rotschool met die fijne klas’  een paar jaar liggen. Tot hij zelf het boek De Marokkaan en de kat van tante Da in handen kreeg. ‘Van de grote Hans Barnard’, zegt Vriens vol bewondering. ‘Ik herkende de sfeer in het boek, die erg leek op zoals ik zelf schreef. En dus stuurde ik mijn boek naar dezelfde uitgeverij als die van Barnard: Van Holkema & Warendorf. Daar mocht ik wél op gesprek komen!’ 

Vriens herinnert zich het bezoek aan Van Holkema & Warendorf, dat tot op de dag van vandaag zijn uitgeverij is, als de dag van gisteren. Want niet alleen zijn uitgever was aanwezig, ook Paul Biegel. ‘Dé kinderboekenschrijver die in 1973 de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur ontving en waarvan ik al zijn boeken als kind verslond. Deze grootheid had mijn werk mede beoordeeld!’, vertelt Vriens. ‘Ik steeg op toen hij de woorden uitsprak dat hij had genoten van mijn boek. Dat was het grootste cadeau. Dat hij zei dat ik kinderboekenschrijver mocht worden.’ 

Emotie 

Eén van Vriens’ bekendste boeken is Achtste groepers huilen niet, dat draait om een meisje in het laatste jaar van de basisschool dat leukemie krijgt. Vriens: ‘Ik kreeg laatst een brief van een meisje waarin ze schreef dat ze om het verhaal had gelachen én gehuild. Dat is voor mij het grootste compliment. Ik probeer met mijn boeken heel dicht bij de emotie van de kinderen te komen. Dat is in dit geval met twee uiterste emoties gelukt.’ 

In de vijftig jaar dat Jacques Vriens kinderboeken schrijft, is één ding niet veranderd: zijn vrouw is zijn grootste criticus. Is er ruimte voor verbetering? Dan krabbelt ze dit subtiel in de zijlijn. Maar nu zijn oudste zoon Boris ook meeleest, heeft hij met andere feedback te maken. Vriens lacht: ‘‘Gelul’, lees ik dan bij wat er omcirkeld is. Maar ik heb er wel wat aan, dat wel!’ 

Inspiratie 

Inspiratie voor zijn verhalen haalde hij uit zijn directe omgeving. Toen hij op zijn zesde met zijn ouders naar Helmond verhuisde, begonnen zijn ouders er een hotel. Hij vermaakte er zich met zijn vriendjes en dat was allemaal inspiratie voor zijn boek De bende van Hotel De Korenwolf, waarin vier kinderen van de familie Maassen een bende oprichten omdat hun ouders door het hotel niet veel tijd voor ze hebben.  

Toen Vriens zestien jaar was, besloten zijn ouders te scheiden. Hij verhuisde met zijn moeder en broer naar Amsterdam. ‘Daar verhuurde mijn moeder een kamer aan Johan Elsensohn. In die tijd een bekend Nederlands acteur en toneelschrijver. Dat was prachtig! Johan merkte dat ik al veel interesse had in toneel, klopte dan op mijn kamerdeur als ik huiswerk maakte en zei met een zware stem dat hij een toneelstuk op ging voeren. Hij scheen dan de schemerlamp op het gordijn en voerde iets op. Later vertelde hij me dat hij bij een rondreizend theatergezelschap had gespeeld en van kermis naar kermis trok.’  

Zo’n vijftig jaar later bedacht Vriens: ‘Goh, dat blijft eigenlijk een mooi onderwerp. Zo is Kermiskind ontstaan waarin Rosa met haar familie door het land trekt om theatervoorstellingen te spelen, maar toneelspelen eigenlijk maar verschrikkelijk vindt.’ 

Escape room 

Hij vindt het ook bijzonder dat studenten van de Radboud Universiteit inspiratie hebben gehaald uit zijn boek Kermiskind. ‘Ze hebben het verhaal in het boek omgezet naar een escape room en deze wordt onthuld tijdens het Kletskoppenfestival’, zegt Vriens. Het belooft een avontuur te worden waarin kinderen vanaf acht jaar het theater moeten redden en ontdekken hoe taal deuren opent. 

Wat is er nog meer te doen?

Op zondag 22 februari vindt Kletskoppenfestival plaats in Bibliotheek Mariënburg in Nijmegen. Tijdens het festival maken kinderen in de leeftijd van twee tot twaalf jaar en hun (groot)ouders en verzorgers op een vrolijke en speelse manier kennis met taal, taalontwikkeling en taalwetenschap. Verschillende onderzoekers van de Radboud Universiteit ontwikkelden programmaonderdelen.

Imme Lammertink

Zo ontwikkelde taalwetenschapper Imme Lammertink, samen met collega’s Pim Franssen, Sharon Unsworth, Fleur Vissers en het bedrijf “The Great escape" de Taalsteen: een ‘escapebox’ voor kinderen. Hierin schakelt de fictieve taalwetenschapper Rosetta Steen de hulp in van kinderen om samen met haar het mysterie van de taalsteen te ontrafelen. De steen bestaat uit drie verschillende taalspellen die ieder over een ander aspect van taal (klanken, woorden en zinnen) gaan. ‘We merken dat kinderen door het spelen van de steen ook wel echt iets leren over taal’, aldus Lammertink. ‘We horen bijvoorbeeld terug dat kinderen zich na het spelen realiseren dat in andere talen hetzelfde woord op een andere plek in de zin kan staan. Uit een impactmeting blijkt ook dat 74% van de kinderen na het spelen van de taalsteen nieuwsgierig is geworden en meer wil weten over hoe taal werkt.’ 

Else Eising

Onderzoeker Else Eising ontwikkelde het Taallaboratorium, dat ook op Kletskoppenfestival te vinden is. Hier kunnen bezoekers van het festival leren over methodes die gebruikt worden in onderzoek naar taal. In de reactie tijd test moeten ze bijvoorbeeld zo snel mogelijk aangeven of een woord echt bestaat of niet. In het Virtual Reality experiment kunnen bezoekers onderzoeken of het helpt als je gesprekspartner gebaren gebruikt of niet. ‘Tijdens het festival willen we laten zien dat je wetenschappelijk onderzoek kunt doen met taal’, vertelt Eising. ‘Door mensen kennis te laten maken met taalonderzoek én met ons als onderzoekers, laten we zien hoe divers wetenschap kan zijn.’ 

Contactinformatie

Thema
Kunst & Cultuur, Samenleving, Taal