Het is warm, en ik vraag me serieus af waarom ik nu deze blog zit te schrijven. Een uur geleden vertrokken mijn huisgenoten naar een verkoelende zwemplas in de buurt. Ik ging niet mee, want ‘er lag nog werk’ – waaronder dit stukje. Dat werk loopt niet weg, zei mijn man, en of zondagmiddag daar wel het meest geschikte moment voor is?
Maar dan wreekt zich een loopbaan van ruim veertig jaar in de academische wereld: ik vind zondagmiddag juist een prima moment om te werken. Ongestoord en in relatieve rust doen wat er de rest van de week niet van komt.
In de jaren dat ik als universitair docent werkte aan de letterenfaculteit van de Universiteit Utrecht was de zondag gereserveerd voor mijn onderzoek. Formeel had ik 0,3 fte onderzoekstijd binnen mijn voltijdsaanstelling, maar in de praktijk slokten onderwijs en begeleiding het grootste deel van de week op. Ik deed dat overigens met veel plezier, net als de organisatorische klussen die mijn kant opkwamen binnen een vakgroep waarin de meeste collega’s decennia ouder waren en vonden dat ze hun portie wel hadden gehad. Waarvan precies, dat was mij niet helemaal duidelijk.
Ik ging pas serieus nadenken over mijn overvolle werkschema toen ik zwanger was van mijn eerste kind. Tijdens een van de vele gesprekken over de mogelijkheden voor mijn man om een dag minder te gaan werken – binnen zijn internationale werkomgeving destijds niet bespreekbaar, maar wel afdwingbaar via de Nederlandse wetgeving – zei hij: ‘We praten steeds over mijn stap van vijf naar vier dagen, maar wanneer ga jij eigenlijk van zeven naar zes werkdagen?’ Au.
Mijn man had een punt, en ik heb er serieus werk van gemaakt om binnen de faculteit te overleggen over een vermindering van taken. Werkdruk was echter geen thema en, zo bleek al snel, die gesprekken kwamen doorgaans neer op tips hoe ik efficiënter kon gaan werken. Uiteindelijk koos ik, om meerdere redenen, voor een switch naar een beleidsfunctie, een keuze die met lede ogen werd aangezien door mijn collega’s. Want zonde, zo’n degradatie van wetenschap naar ondersteuning. Zelf heb ik van die keuze overigens nooit spijt gehad.
Inmiddels is er, gelukkig, meer aandacht voor werkdruk en de balans tussen werk en vrije tijd binnen de academische wereld. Er wordt expliciet naar gevraagd in de personeelsenquête, en in de jaargesprekken is meer ruimte voor afspraken op maat die passen bij de situatie van de medewerkers, zowel de wetenschappers als de ondersteunende staf. Maar toch zie ik in onze faculteit dat er nog steeds heel hard wordt gewerkt. Goed onderwijs geven en grensverleggend onderzoek doen, is geen routineklusje, en ook de ondersteuning van die processen vraagt aandacht, inzet en creativiteit.
‘Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken maar het helpt wel’ behoort als spreuk tot de oubollige kantoorhumor, maar als je ‘gekte’ interpreteert als gedrevenheid of innerlijke motivatie, dan klopt het aardig. En ik realiseer me dat dat ook voor mijzelf geldt, want waarom zit ik anders op deze zondagmiddag achter mijn laptop?
Alle reden om over een paar weken gas terug te nemen. En op vakantie te gaan, of juist in alle rust na te denken over een prachtig onderzoeksvoorstel. Of wat je maar wilt.
Ik wens ons allemaal een prachtige zomer toe.