Op 1 juli 2025 begon Wiek van Gemert als promovendus bij het CPG. Het CPG vroeg Wiek hoe hij zijn eerste dagen bij het CPG heeft ervaren en met wat voor onderzoek hij zich bezig gaat houden.
Wiek, je bent net begonnen bij het CPG en ook nieuw op de Radboud Universiteit. Van welke universiteit ben je afkomstig en wat studeerde je?
Ik heb geschiedenis gestudeerd in Groningen en heb daarna in Leiden twee masters afgerond op het gebied van politieke geschiedenis en politicologie. Na mijn studie ben ik weer naar de Rijksuniversiteit Groningen getrokken en heb ik onder meer meegewerkt aan een onderzoek naar de geschiedenis van het provinciaal bestuur van Groningen. Daarnaast ben ik als wetenschappelijk informatiespecialist aan de slag gegaan bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP), waar ik nog altijd één dag in de week werkzaam ben. Ik heb me in deze verschillende rollen veel beziggehouden met de recente Nederlandse politieke geschiedenis, met bijzondere interesse voor het snijvlak van politieke cultuur en ideologie en voor sociaaleconomische politiek. Mijn aanstelling als promovendus bij het CPG ligt denk ik mooi in het verlengde hiervan, zowel inhoudelijk als qua werkomgeving binnen een centrum dat zich op een wetenschappelijke manier met Nederlandse politiek bezighoudt.
Je bent nu promovendus bij het CPG. Waar richt jouw onderzoek zich op?
Mijn onderzoek kijkt hoe de parlementaire enquêtes die de Tweede Kamer sinds 1983 heeft uitgevoerd zijn gebruikt om lessen te trekken uit het verleden. De heropleving van de parlementaire enquête wordt gezien als een uithangbord van een evolutie van de controlerende taak van het parlement en is daarmee onderdeel van een proces waarin de Kamer lessen trekt over haar eigen functioneren. Maar de enquête vormt ook een platform waarin het parlement in een commissie samengesteld uit verschillende fracties grootschalig onderzoek doet dat in toenemende mate eindigt met expliciete aanbevelingen voor bestuur en beleid. Daarmee wordt het verleden dat de commissie onderzoekt ook onderwerp van de medewetgevende taak van de Kamer. Ik ben benieuwd hoe deze vorm van medewetgeving zich verhoudt tot de ontideologisering die vaak aan de periode sinds de jaren tachtig is toegeschreven, waarin politieke keuzes werden gepresenteerd als afgedwongen door de omstandigheden en daarmee in zekere zin ook het verleden. In algemene zin is het interessant hoe de verschillende doelstellingen van de parlementaire enquête zich tot elkaar verhouden, niet alleen de controlerende en medewetgevende doelstellingen, maar bijvoorbeeld ook waarheidsvinding en het herstel van vertrouwen. Die laatste twee doelen zouden in theorie ook enorm kunnen botsen. Het project past op een mooie manier in de bredere CPG-onderzoekagenda die zich richt op de jaren tachtig, en daarmee een overlappende tijdsperiode, en bovendien specifiek op de parlementaire enquêtes. Dat laatste onderdeel moet leiden tot een bundel waarin de verschillende enquêtes worden besproken, waar ik in principe ook een bijdrage aan ga leveren.
Waar verheug je je het meest op?
Een promotietraject is een prachtige kans om jezelf te ontwikkelen als onderzoeker. Ik verheug mij er dan ook zeer op om mij enkele jaren in één groot onderzoek te storten en zo hopelijk richting een mooi proefschrift te werken en zo een betere historicus te worden. Maar ook de aanverwante werkzaamheden en trainingen horen natuurlijk bij dat totaalplaatje. Ik denk dat het CPG een inspirerende omgeving is om hieraan te werken. Er bestaat een klassiek beeld van een promovendus die in de loop van het traject een beetje op een eiland belandt met het eigen onderzoek. Ik heb goede hoop dat ik als promovendus binnen het CPG juist een omgeving tref die mij kan stimuleren in mijn onderzoek, en waar ik vervolgens ook zelf weer een bijdrage aan kan leveren.
Ben je al tegen ontdekkingen aangelopen over een enquête of ben je al iets tegen gekomen waarvan je eerder geen idee had?
Wanneer je als onderzoeker een nieuw onderwerp aansnijdt, zie je het opeens overal voorbijkomen. Dat heb ik momenteel met de parlementaire enquêtes. Het is natuurlijk leuk om de relevantie van het onderwerp te ervaren, maar het helpt in dit geval ook om me aan het denken te zetten. De parlementaire enquête heeft de laatste jaren natuurlijk veel aandacht van politiek en media genoten, dus dat de enquêtes naar de gaswinning in Groningen en naar de toeslagenaffaire nog regelmatig worden aangehaald verrast me niet. Maar het is leuk om te merken hoe ook oudere enquêtes nog als een ijkpunt fungeren; met name de RSV-enquête wordt nog regelmatig aangehaald. Bij de staatssteun aan scheepsbouwconcern Damen lag de parallel wellicht voor het oprapen, maar ook tijdens de algemene politieke beschouwingen dook de RSV-enquête op. ‘Tata wordt de next parlementaire enquête’ waarschuwde economen volgens Volt-leider Laurens Dassen. Vanuit het perspectief van ‘leren van het verleden’ is het boeiend om te zien hoe de enquêtes op verschillende manieren als referentiekader worden gebruikt.