Koningin Juliana met het kabinet-Den Uyl op de trappen van paleis Huis ten Bosch, 11 mei 1973

Nieuwe minister-president heeft historisch gezien best wat speelruimte | Formatieblog 2025

Koningin Juliana met het kabinet-Den Uyl op de trappen van paleis Huis ten Bosch, 11 mei 1973. Foto: Bert Verhoeff, Nationaal Archief / Anefo. 

Het nieuwe kabinet zal de parlementaire geschiedenis ingaan als het kabinet-Jetten. Maar in hoeverre gaat het ook echt Jettens kabinet worden? Jetten zelf trok al de aandacht als de jongste minister-president uit de geschiedenis, de eerste D66-er die het ambt vervult en als voorman van een minderheidskabinet. Laatstgenoemde is een unieke maar ook risicovolle variant. Hij zal alle zeilen bij moeten zetten. Weliswaar heeft de minister-president weinig formele bevoegdheden, historisch gezien heeft de premier best wat speelruimte om zijn stempel te drukken. 

Roep om leiderschap 

De Nederlandse premier geldt traditiegetrouw als primes inter pares (de eerste onder gelijken) die maar weinig formele bevoegdheden heeft, bijvoorbeeld in vergelijking met de Duitse bondskanselier die ministers kan aanstellen en hen beleidsaanwijzingen mag geven. Bovendien, in bespiegelingen op de Nederlandse politiek ligt de nadruk op samenwerking in coalitieverband, vanwege onze poldercultuur, de lage kiesdrempel en het grote aantal partijen in het parlement. Al te uitgesproken leiderschap zou dan averechts werken. Dat is wat premiers vaak wordt voorgehouden.  

Toch wordt er in toenemende mate ‘leiderschap’ verwacht van premiers, ofwel het vermogen om zaken te realiseren, samenwerking af te dwingen en met een eigen kijk richting te geven. Hoe belangrijk deze aspecten zijn, werd nog maar weer eens bevestigd door het moeizame optreden van Dick Schoof. Hij was een minister-president waarnaar voortdurend werd gekeken als zijn kabinet er niet uitkwam, maar wiens premierschap nooit echt uit de verf kwam. Natuurlijk, specifieke oorzaken speelden mee, zoals de gepolariseerde omstandigheden en het werken met drie partijen (NSC, PVV, BBB) die weinig bestuurservaring hadden. Bovendien, eenmaal premier, kon de partijloze Schoof niet terugvallen op een eigen machtsbasis in het parlement of putten uit een ideologische traditie om een eigen visie te ontwikkelen. Maar ook een diepere verandering speelde mee waaraan hij zich niet kon onttrekken: in de afgelopen decennia is de premier uitgegroeid tot de belangrijkste politiek leider in ons bestel: leiderschap wordt hoe dan ook verwacht. 

Presidentialisering van het ambt 

Dat de minister-president belangrijker is geworden, komt onder andere door de internationalisering van de politiek, niet in de laatste plaats vanwege de toegenomen besluitvorming op Europeesniveau sinds de jaren tachtig. Onder premier Ruud Lubbers (1982-1994), en tot onvrede van minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek (1982-1993), werd het Europabeleid steeds meer naar de minister-president getrokken. Het paste bij Lubbers assertieve invulling van het premiersambt, maar het was ook een uitvloeisel van de toegenomen macht van de Europese Raad van regeringsleiders waarvan hij ambtshalve deel uitmaakte. De Europese Commissie bereidt traditiegetrouw veel besluitvorming voor en het Europees Parlement heeft steeds meer invloed gekregen, maar de spannendste besluiten worden door de regeringsleiders afgekaart – denk aan verdragswijzigingen, of recenter de eurocrisis (2012-2014) en de sanctiepakketten tegen Rusland sinds de inval in Oekraïne in 2022. De ‘Europese toppen’ gaan ook gepaard met veel media-aandacht. Op het Achtuurjournaal zien we de leiders van de lidstaten een voor een aankomen per dienstauto en als ‘celebrities’ even stilhouden voor een kort fotomoment, alvorens ze het gebouw betreden waar de top plaatsvindt. Ook deze ceremoniële zichtbaarheid draagt bij aan wat wel de ‘presidentialisering van het ambt’ wordt genoemd. 

Minister-president als boegbeeld 

Wat hieraan ook heeft bijgedragen, is dat sinds de ontzuiling de aantrekkingskracht van traditionele (volks)partijen en de ideologische stromingen die zij vertegenwoordigen, is afgenomen. De kiezer is steeds minder trouw aan een partij en ‘zwevend’ geworden. De persoon van de politicus, of beter de leider van een partij, is een belangrijkere factor geworden, voor en achter de schermen. Daarnaast zijn de terreinen waarop de overheid actief is geworden, flink uitgebreid in de afgelopen decennia, waardoor de rol van de regering is vergroot. De ontwikkeling van het premierschap is daarin meegezogen. In de recente geschiedenis werden premiers steeds meer een boegbeeld, van zowel hun partij als het kabinet(sbeleid). PvdA-leider Joop den Uyl, premier van 1973-1977, ging de verkiezingscampagne van 1977 in met de campagneleus ‘Kies de minister-president’. De PvdA behaalde het beste resultaat in haar geschiedenis: 53 zetels. Moeizame verhoudingen in Den Haag maakten dat er geen tweede kabinet-Den Uyl kwam. Er kwam een CDA-premier, eerst Dries van Agt (1977-1982), daarna Ruud Lubbers. Vooral Lubbers wist zijn stempel te drukken. Werd er bij de start van zijn eerste kabinet nog wel gesproken van het kabinet Lubbers-Van Aardenne (naar de vice-premier namens coalitiepartner VVD). De succesvolle campagnes van 1986 en 1989 draaiden om Lubbers: het CDA won de verkiezingen van 1986 met de leus ‘Laat Lubbers zijn karwei afmaken’ en behaalde met ‘Verder met Lubbers’ in 1989 wederom 54 zetels 

Premiers geven richting  

Door deze ontwikkeling wordt de richting van het beleid van het kabinet sterk met de leider ervan geassocieerd. Daarbij moeten we de persoon van de politicus, en zijn kijk op de zaak, niet uitvlakken. De ‘no nonsense’ ‘manager in de politiek’ Lubbers voerde een stevig bezuinigingsbeleid in de jaren tachtig vanuit de gedachte ‘minder overheid, meer markt’. Dat sloot ook aan bij zijn achtergrond als ondernemer. Ministers van zijn kabinetten kwamen eveneens uit het bedrijfsleven en namen daar ontwikkelde managementconcepten mee om beleid te maken. Ook Lubbers’ opvolger als premier, de PvdA-er Wim Kok (1994-2002) drukte zijn stempel. Hij opereerde als bedachtzame ‘voorzitter’ van het paarse coalitiekabinet (PvdA, VVD en D66), maar bekeek de wereld ook vanuit zijn achtergrond als sociale stijger, vakbondsbestuurder en zoon van een timmerman die werkloosheid had gekend. Werk, economie en banen waren kernthema’s van zijn kabinetsbeleid. Ook premier Jan Peter Balkenende (2002-2010) besteedde veel aandacht aan sociaaleconomische hervormingen, maar benadrukte na de Fortuynrevolte van 2002 en als voormalig CDA-ideoloog het belang van normen en waarden en nieuwe vormen van gemeenschapszin. Mark Rutte gold als goedlachse allemansvriend die tijdens zijn tweede kabinet (VVD en PvdA, 2012-2017) zware bezuinigingen realiseerde. Dat was een reactie op de problemen van de tijd, zoals economische neergang en de eurocrisis (2012-14). Maar het kabinetsbeleid paste ook bij zijn op de liberale traditie geïnspireerde visie: dat de overheid(suitgaven) begrenst moet(en) worden en dat Nederland een land is van harde werkers die verantwoordelijkheid nemen en niet zeuren, maar doen. 

Ruimte voor eigen invulling 

Het Nederlandse veel partijenstelsel, de poldercultuur en coalitiekabinetten maken samenwerking belangrijk. Maar lang regerende premiers wisten ook hun stempel te drukken, door iets toe te voegen aan het ambt en de richting van het beleid te beïnvloeden. Misschien is het meest spannende dan ook niet zozeer de minderheidsvariant of het feit dat Jetten de jongste premier is, maar hoe hij zijn premierschap – als leider, boegbeeld en richtinggever – gaat invullen, tegen de achtergrond van de speelruimte die er in de geschiedenis is ontstaan. 

Geschreven door
prof. dr. D.B.R. Kroeze (Ronald)
prof. dr. D.B.R. Kroeze (Ronald)
Ronald Kroeze is hoogleraar en directeur van het centrum voor parlementaire geschiedenis aan de Radboud Universiteit.