Het multiculturele onderwijs in Nederland in de jaren tachtig bleef een belangrijk aandachtspunt voor de regering en het parlement. Met het ideaal van de multiculturele samenleving in het achterhoofd, wilden de kabinetten-Lubbers in de jaren tachtig zorgen voor onderwijs dat alle aanwezige culturen in Nederland erkende en respecteerde. In de praktijk bleek dit een lastig streven en gaven de onderwijsresultaten van minderheden echter aanleiding tot zorg en was herziening van het beleid gewenst. Door het verder uiteenlopen van standpunten over het onderwerp was dit geen gemakkelijke opgave.
Aan het begin van de jaren tachtig ontving de Tweede Kamer het idee van de multiculturele samenleving met open armen. Na jaren van toenemende migratie en matige beleidsvoering, stelde het kabinet-Lubbers I in 1983 op basis van advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een minderhedennota op met beleid ten aanzien van Nederlanders met een migratieachtergrond. Een van de belangrijkste uitgangspunten van deze nota was dat ‘minderheden in staat moeten worden gesteld zich als alle andere ingezetenen de vaardigheden eigen te maken die voor een gelijkwaardig functioneren in onze samenleving nodig zijn’.[1] De belangrijkste achterliggende gedachte van deze nota was dat een multiculturele samenleving een sterke samenleving zou zijn.
Een belangrijk onderdeel voor het waarmaken van deze doelstelling was het onderwijs. Via het onderwijs leerden kinderen om te gaan met verschillende culturen in Nederland. Daarnaast zouden kinderen met een migratieachtergrond les krijgen in hun ‘eigen taal en cultuur’.[2] Kamerleden zagen het onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC) als een manier voor kinderen met een migratieachtergrond om zich te weren ‘tegen de Nederlandse culturele dominantie’.[3] Het OETC was een middel om gestalte te geven aan ideeën over de inrichting van de multiculturele samenleving.