CPG kinderen Spaans onderwijs
CPG kinderen Spaans onderwijs

Onderwijs in de nieuwe multiculturele samenleving

Tijdens de kabinetten-Lubbers vond een opmerkelijke transformatie van de politieke besluitvorming plaats en voerden bewindspersonen en Kamerleden tal van interessante debatten, die terug te vinden zijn in schriftelijke verslagen: de Handelingen. In onze blogreeks, Wandelingen door de Handelingen, houden we je op de hoogte van onze werkzaamheden. Deze eerste blog staat in het teken van onderwijs in de multiculturele samenleving in de jaren tachtig en is geschreven door Michelle Rosmalen.

Het multiculturele onderwijs in Nederland in de jaren tachtig bleef een belangrijk aandachtspunt voor de regering en het parlement. Met het ideaal van de multiculturele samenleving in het achterhoofd, wilden de kabinetten-Lubbers in de jaren tachtig zorgen voor onderwijs dat alle aanwezige culturen in Nederland erkende en respecteerde. In de praktijk bleek dit een lastig streven en gaven de onderwijsresultaten van minderheden echter aanleiding tot zorg en was herziening van het beleid gewenst. Door het verder uiteenlopen van standpunten over het onderwerp was dit geen gemakkelijke opgave. 

Aan het begin van de jaren tachtig ontving de Tweede Kamer het idee van de multiculturele samenleving met open armen. Na jaren van toenemende migratie en matige beleidsvoering, stelde het kabinet-Lubbers I in 1983 op basis van advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een minderhedennota op met beleid ten aanzien van Nederlanders met een migratieachtergrond. Een van de belangrijkste uitgangspunten van deze nota was dat ‘minderheden in staat moeten worden gesteld zich als alle andere ingezetenen de vaardigheden eigen te maken die voor een gelijkwaardig functioneren in onze samenleving nodig zijn’.[1] De belangrijkste achterliggende gedachte van deze nota was dat een multiculturele samenleving een sterke samenleving zou zijn.

Een belangrijk onderdeel voor het waarmaken van deze doelstelling was het onderwijs. Via het onderwijs leerden kinderen om te gaan met verschillende culturen in Nederland. Daarnaast zouden kinderen met een migratieachtergrond les krijgen in hun ‘eigen taal en cultuur’.[2] Kamerleden zagen het onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC) als een manier voor kinderen met een migratieachtergrond om zich te weren ‘tegen de Nederlandse culturele dominantie’.[3] Het OETC was een middel om gestalte te geven aan ideeën over de inrichting van de multiculturele samenleving.

Verandering in overtuiging

Een keerpunt in deze overtuiging is te zien in een commissievergadering van 31 oktober 1988. In dit debat stond het actieplan minderhedenbeleid voor 1989 centraal. Net als veel andere onderdelen van het minderhedenbeleid presenteerde het onderwijs in eigen taal en cultuur niet de verwachte resultaten. Leerlingen met een migratieachtergrond haalden steevast lagere cijfers en ook op andere gebieden bleven ze achter op Nederlanders zonder een migratieachtergrond.[4] Het kabinet-Lubbers II vroeg daarom de WRR om het minderhedenbeleid en de resultaten te evalueren en opnieuw met een advies te komen.

Minderhedenbeleid Tweede Kamer minister van Dijk en Ginjaar Maas
De beleidsvoerders van onderwijs, staatssecretaris Nell Ginjaar-Maas (l) en Kees van Dijk (r), luisteren aandachtig naar de sprekers tijdens het commissiedebat op 31 oktober 1988. Beeld: Nationaal Archief / Rob Croes (Anefo)

In het debat wezen de commissieleden veelvuldig op dit aankomende WRR-rapport. De commissieleden uitten hun ontevredenheid over de resultaten van het minderhedenbeleid in de afgelopen vijf jaar en wilden verandering in het beleid.[5] Ook het onderwijs in eigen taal en cultuur moest een andere invulling krijgen. Dit onderwijs zou de multiculturele samenleving versterken doordat de leerlingen de taal en de cultuur van hun land van herkomst beheersten en daardoor alle culturen gelijk waren. Voor een goede integratie bleek het spreken van goed Nederlands belangrijk. Ondanks de nadruk op het belang van het onderwijs in de eigen taal en cultuur, vonden de partijen het belangrijk dat de leerlingen met een migratieachtergrond goed Nederlands leerden spreken, zodat zij niet verder achterop zouden raken. Hoewel dit belang van het Nederlands ook al bij de discussie van de invoering van het OETC aan bod kwam, met name in de bijdragen van de VVD en in extremere vorm gepresenteerd door de Centrumpartij, werd dit belang breder gedragen tijdens de commissievergadering in 1988.[6]

Een ander struikelblok bij het functioneren van het OETC vormden de leraren. Vanaf het begin van de invoering van het OETC was er een tekort aan leraren die het onderwijs in eigen taal en cultuur konden verzorgen. Een groot gedeelte van de leraren kwam hiervoor daarom vanuit de landen van herkomst over naar Nederland. Deze leraren spraken geen Nederlands, waardoor verschillende Kamerleden hun zorgen uitten over de gevolgen voor het Nederlands van de leerlingen.[7] In een debat over het cultuurverdrag met Marokko in 1985 kwam deze discussie in een stroomversnelling.[8] Toch was er drie jaar later nog steeds geen langetermijnoplossing gevonden en stond het onderwerp nog steeds op de agenda.

Het belang van het onderwijs

Ondanks zorgen over achterblijvende resultaten en de negatieve aspecten bleven de Kamerleden het OETC steunen. De meesten wilden nog steeds dat leerlingen met een migratieachtergrond onderwijs kregen in hun eigen taal en cultuur zodat zij die cultuur goed representeerden in de multiculturele samenleving. Wel vonden ze dat de huidige vorm van het OETC niet voldeed aan de verwachtingen en dat het beleid moest veranderen. De belangrijkste verandering zochten veel partijen niet in de inhoud van het programma maar in de positie van het OETC binnen het onderwijsprogramma. Dit betekende niet dat het OETC zou verdwijnen, de meeste partijen waren juist ondanks alle tegenslagen overtuigd van het belang van het onderwijs. Het onderwijs moest buiten de reguliere lesuren plaats gaan vinden. Hierdoor bleef er genoeg tijd over voor de Nederlandse lessen, die volgens de meeste partijen voorrang hadden.[9]

CPG kinderen Spaans onderwijs
Ook de minderheidsgroeperingen lieten van zich horen en protesteerden tegen het tegenvallende onderwijs. Spaanse kinderen en hun ouders protesteren in januari 1986 in Amsterdam tegen de manier waarop zij onderwijs in hun eigen taal en cultuur krijgen. Bee

Ook de regering was van mening dat het onderwijs in eigen taal en cultuur van groot belang was voor de toekomst van de multiculturele samenleving. Staatssecretaris voor het basisonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs en het lerarenbeleid Nell Ginjaar-Maas (VVD) stelde ‘dat je het bestaansrecht van OETC niet ter discussie zou moeten stellen’.[10]

Hoewel dit commissiedebat niet het meest verhitte debat over het onderwijs was – in de debatten over het cultuurverdrag met Marokko en het plenaire debat over de aanpassing van de wettelijke positie van de leerkrachten ging het er heftiger aan toe – laat dit debat wel de kwetsbaarheid van het minderhedenbeleid zien.[11] Aan de ene kant plaatsten de Kamerleden het belang van de culturele verscheidenheid in Nederland voorop, aan de andere kant konden ze niet ontkennen dat de slechte beheersing van het Nederlands een belangrijke factor was in de blijvende achterstand van Nederlanders met een migratieachtergrond. Dit debat laat de gevoeligheden rondom het OETC en het minderhedenbeleid goed zien en daarmee ook de worsteling van de Kamerleden met de inrichting en het functioneren van de multiculturele samenleving.

Bronnen

  1. Handelingen II 1982/83, bijl. 16 102, nr. 21, Minderhedenbeleid (nota), p.17 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000143005.
  2. Handelingen II 1982/83, bijl. 16 102, nr. 21, Minderhedenbeleid (nota), p.27 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000143005.
  3. Uit de bijdrage van PSP-Kamerlid Willems. Handelingen II 1983/84, 27 maart 1984, p.3994 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000132334.
  4. Handelingen II 1987/88, bijl. 20 200-VII, nr. 2, Memorie van Toelichting bij de Rijksbegroting voor het jaar 1988 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000101526.
  5. Handelingen II 1988/89, 31 oktober 1988, p.7-2-7-3 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000090552.
  6. Handelingen II 1983/84, 27 maart 1984, p.4002 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000132334; Handelingen II 1983/84, 28 maart 1984, p.4066 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000132335; Handelingen II 1988/89, 31 oktober 1988, p.7-13, 7-16-7-17 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000090552.
  7. Handelingen II 1988/89, 13 december 1988, p.35-2079 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000090485.
  8. Handelingen II 1984/85, 27 augustus 1985, p.6242-6276 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000122977.
  9. Handelingen II 1988/89, 31 oktober 1988, p.7-13, 7-16-7-17 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000090552.
  10. Handelingen II 1988/89, 31 oktober 1988, p.7-34 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000090552.
  11. Handelingen II 1984/85, 27 augustus 1985, p.6242-6276 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000122977; Handelingen II 1993/94, 14 juni 1994, p.76-5316-76-5325 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000003669.

Contactinformatie

Dit blog is geschreven door Michelle Rosmalen, stagiaire bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in de periode april-juli 2023, in het kader van het onderzoeksproject over de parlementaire geschiedenis in de jaren tachtig. Ben je benieuwd naar de andere blogs? Hier vind je een overzicht. 

Onderzoeksproject Serie Parlementaire Geschiedenis 

Blogreeks Wandelingen door de Handelingen