Afke Groen, directeur van de mr. Hans van Mierlostichting, fungeerde als dagvoorzitter. Zij kondigde CPG-onderzoeker Alexander van Kessel aan. Beiden zijn, net als Jasper Dekker, ook redacteur van de bundel.
Oud-premier Balkenende neemt eerste exemplaar ‘De minister-president’ in ontvangst
Op 2 juli presenteerde het CPG de bundel De minister-president: een ambt in ontwikkeling. Oud-premier Jan Peter Balkenende nam het eerste exemplaar in ontvangst aan het einde van een presentatie waarin verschillende auteurs van het boek aan het woord kwamen. Het boek is ontstaan uit een samenwerking van het CPG met de mr. Hans van Mierlostichting en is uitgegeven door Boom.
Van Kessel vertelde over de totstandkoming van de bundel en het doel wat de redactie voor ogen had: een boek te maken waarin het minister-presidentschap vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Dat hield vooral in: vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines zoals historici, staatsrechtgeleerden, politicologen en bestuurskundigen. Daarna ging Van Kessel in op de algemene analyse dat de minister-president de laatste decennia meer is geworden dan de eerste onder zijn gelijken. Een factor die heeft bijgedragen aan die ontwikkeling is volgens hem onder meer de internationale positie van de Nederlandse minister-president. Maar ook de ontwikkeling dat, zeker sinds 1977, het premierschap inzet is geworden van de verkiezingen van de Tweede Kamer heeft daaraan bijgedragen. ‘Staatsrechtelijk is het volkomen onzinnig, maar de Kamerverkiezingen zijn een wedstrijd om ‘het Torentje’ geworden’ aldus Van Kessel.
Hierna volgde een lezing door emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg. Hij trok onder meer een parallel tussen Dick Schoof en Th. De Meester. In 1905 werd De Meester onverwacht premier nadat er sprake was van een impasse als gevolg van het uitblijven van een meerderheid voor zowel de christelijke als de liberale partijen. Hij had, net als Schoof, een ambtelijke loopbaan gehad. Het werd uiteindelijk een onsamenhangend minderheidskabinet dat na veel geruzie in 1907 tot een einde kwam. Ook haalde Van den Berg het hoofdstuk van Anne Bos en Erie Tanja aan waarin het ook kort gaat over de relatie tussen de premier en de koning, een niet te onderschatten onderdeel, ook qua tijdsbeslag, voor een premier. Van den Berg wist dit treffend te duiden door de uitroep van toenmalig premier Cals: ‘Wat doet een premier eigenlijk als er geen prinsessen zich verloven?’ Van den Berg vervolgde met de vaststelling dat in Europees verband de spanning van verschillende verwachtingen en rollen van de Nederlandse minister-president het sterkst naar voren komt. Hij memoreerde daar aan de bijdrage van David Nederlof in de bundel. De Raad van Europa is het legitimerende instituut van de EU geworden, meer dan de organen die daar eigenlijk voor bedoeld waren (Europese commissie en het parlement). Zo vinden bijeenkomsten van de Europese Raad tegenwoordig bijna maandelijks plaats en daar worden belangrijke besluiten genomen over de toekomst van Europa. Daarnaast proberen de regeringsleiders hun nationale belangen te verdedigen. De minister-president kan zich in die constellatie dan ook geen zwakke positie veroorloven. Hij kan niet ‘Telkens thuis moeten vragen of het goed is’. Ook wierp Van den Berg nog de vraag op of een demissionaire Schoof (zonder Wilders en andere coalitiegenoten die over zijn schouder meekijken) niet veel verder zal komen in de Europese Raad.
Na de lezing volgde een kort intermezzo op beeld waarin vier oud-premiers terugblikten op het ambt van minister-president en wat er nu eigenlijk voor nodig is om dat ambt goed te kunnen vervullen. In de daaropvolgende paneldiscussie kwamen vier auteurs van het boek aan het woord.
Jerfi Uzman, hoogleraar staats- en bestuursrecht, gaf aan dat de politiek in Nederland lange tijd een technocratisch karakter heeft gehad, met nadruk op de inhoud en details. Dat sloot ook aan bij de minister-president als vakminister van Algemene Zaken. Daarnaast was er de collectieve component. Na de opbouw van de verzorgingsstaat en de opkomst van de partijendemocratie kwam er steeds meer een coördinerende taak voor de premier (tussen partijen, politiek en het land en meer). In die zin is er een ontwikkeling in het ambt van de premier.
Remieg Aerts, emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis, ziet die ontwikkeling minder. Hij benadrukte het persoonlijke karakter van het ambt, waardoor door de tijd wel momenten zijn dat elementen clusteren, maar dat kon, met een geheel verschillend persoon die het ambt vervulde, ook heel snel weer doorbroken zijn. Uiteindelijk is een premier historisch gezien een projectmanager die een proces moet leiden, daar ligt zijn kerntaak. Hij is niet premier van alle Nederlanders, dat is onzin, daar is een staatshoofd voor. Hij is partijleider, aanvoerder van een coalitie en dat programma draagt hij uit.
Ronald Kroeze, hoogleraar parlementaire geschiedenis en directeur van het CPG, benadrukte daartegenover juist wel het belang van visie. Dat dit wel iets nieuws is. Hij schetst een omslag van partijendemocratie naar personendemocratie en daarbinnen zijn ook steeds meer verwachtingen aan de persoon die het ambt van minister-president bekleedt. Hij moet zich verhouden tot zijn achterban, er komen continue vragen vanuit media en bevolking of hij ook een verhaal wil vertellen, een visie die aansluit bij de problemen van deze tijd. En daar reageert de premier tegenwoordig op, dus een visie is duidelijk onderdeel geworden. Of dat ook ‘goed’ is, de normatieve vraag, laat Kroeze buiten beschouwing.
Alle panelleden zijn het er overigens wel over eens: Je kunt sleutelen aan formele regels wat je wilt, maar uiteindelijk zijn het de spelers die met hun interpretatie van de regels het spel spelen.
Myrte van der Zwet, promovenda politieke wetenschappen, schreef een hoofdstuk over het vraagstuk waarom we nog geen vrouwelijke premier hebben gehad. Tijdens het panelgesprek ging ze onder meer in op de situatie rond Marga Klompé. Zij had kans lijsttrekker te worden voor de KVP maar beschouwde zichzelf als niet voldoende financieel onderlegd. Frappant was dat de uiteindelijke premier, Piet de Jong, dat echter nog vol minder was. De wijze waarop bepaald wordt wie de premier wordt is volgens Van der Zwet in Nederland niet direct gunstig omdat dit vooral tijdens de formatie gebeurt, in een informeel circuit. Uit onderzoek blijkt dat dit over het algemeen negatief uit pakt voor minderheden.
Aerts voegde daarop toe dat we deze vraag misschien ook veel meer bij de partijen moeten leggen. Van oudsher zijn het VVD, CDA en PvdA die een premier leveren. Daar moet iets gebeuren. Zwet concludeerde daarop dat het ook gevaarlijk zou zijn als we bij de komst van een vrouw als premier tevreden zijn, alsof dat het sluitstuk van de emancipatie van vrouwen is. Dat gaat volledig voorbij aan de structurele obstakels en problemen die minderheden en vrouwen ondervinden in hun weg naar de politieke top, die zijn dan niet opeens verdwenen.
Jan Peter Balkenende mocht vervolgens het eerste exemplaar in ontvangst nemen uit handen van Jasper Dekker. In vogelvlucht vertelde hij diverse anekdotes uit zijn eigen premierschap. Ook ging hij nog in op wat volgens hem de drie kernelementen zijn van een geslaagd premierschap: naast leiderschap en visie, zijn goede samenwerking en een focus op het boeken van resultaten daarvoor onontbeerlijk.
Foto’s: Hans Kouwenhoven
Contactinformatie
- Organisatieonderdeel
- Centrum voor Parlementaire Geschiedenis