Bartolomeo Pinelli: Tarquinius werpt Tullius van de trappen van het Capitool

Papieren tirannen?

Geschiedenis van het Romeinse Rijk: Bartolomeo Pinelli: "Tarquinius werpt Tullius van de trappen van het Capitool". (Tarquinio Superbo, getta Servio Tullio, dall'alto dei grandini del Campidoglio, per usurpargli il Trono.) https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/object/---87fac0b375fbff3d61b41b3753b9db66 (CC0 1.0 Universal Public Domain Dedication.)

Hoe opener en democratischer een maatschappij is, des te meer vermag het vrije woord. Burgers beseffen dat ze gehoord worden, invloed kunnen aanwenden, zelfs actief onderdeel kunnen zijn van het bestuur van de staat. Bestuurders weten zich gecontroleerd en spannen zich in om elkaar en het volk te overtuigen van de juistheid van hun standpunten. Dan gaat het goed met de welsprekendheid en kan wie de retorische technieken goed beheerst een verschil maken in belangrijke kwesties als oorlog en vrede, wetgeving en recht. 

Dit zien we in het antieke Athene, waar het burgerrecht natuurlijk wel beperkt was maar degenen die erover beschikten, konden meepraten in volksvergadering en boulè en ingrijpende besluiten konden laten aannemen. Maar toen de democratie in verval raakte, keerde de welsprekendheid zich naar binnen. Niet zelden werd stijl belangrijker dan inhoud, en het genre van de lofrede op heerser of stad kwam sterk op, terwijl politieke en juridische redes aan belang inboetten. 

Precies zo ging het in Rome in de nadagen van de republiek – lees er de redevoeringen die Cicero aan Julius Caesar richtte maar op na – en al zeker in de keizertijd. Niet alleen lag de beslissingsbevoegdheid bij de keizer, die de senaat kon negeren (de volksvergadering was al lang een dode letter) om hooguit te overleggen met zijn hovelingen. Ook kon het ronduit gevaarlijk zijn om voor je mening uit te komen: bij de geschiedschrijvers lezen we dat redenaars en filosofen, vaak lid van de senaat, regelmatig ter dood werden veroordeeld of tot zelfmoord gedwongen wanneer ze kritiek leverden op de autocratie. Net als in Griekenland werd de lofrede op de keizer een druk beoefend genre. En de ‘innere Emigration’ van de welsprekendheid bleek niet zelden een verhuizing naar Sophistopolis: dit is de tijd waarin declamatie een ware rage werd en de fictieve stad haar definitieve vorm kreeg.

Toch zou je kunnen stellen dat deze ontwikkeling niet louter als escapisme te duiden is: ze biedt ook een uitlaatklep om de frustratie over de politieke situatie af te reageren. Sophistopolis is immers nadrukkelijk een democratie waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de senaat. Maar in maar liefst 31 van de 291 declamaties die we over hebben, wordt die democratie buiten werking gesteld of tenminste bedreigd door een tiran. Deze tiran voert zelf zelden of nooit het woord, maar een duidelijk én eenduidig beeld rijst op uit wat er over hem wordt gezegd. Hij is wreed, op macht belust, inhalig, ijdel, onbetrouwbaar, paranoïde, seksueel geperverteerd, heeft geen echte vrienden en schept er genoegen in om bestaande instellingen en tradities te vernietigen.

Hoe groot de afschuw van tirannen was, blijkt niet alleen uit het grote aantal declamaties waarin tirannie een rol speelt, maar ook uit de bijbehorende wetten, die zeer streng zijn: 

Wie een tiran doodt, mag een beloning kiezen. 

Poging tot tirannie wordt met de dood bestraft. 

Behalve de tiran moeten vijf van zijn naaste familieleden de doodstraf krijgen. 

Het lichaam van een gedode tiran moet buiten de stadsmuren worden geworpen.

Soms heeft Sophistopolis te maken met buitenlandse tirannen, die met oorlog dreigen als ze hun zin niet krijgen. Meestal gaat het daarbij niet om het bezit van de stad, maar spelen seksuele motieven een rol en eisen ze de uitlevering van een mooie jongeman. Diens vader is de schande dan graag voor door zijn zoon preventief te doden; wordt de zoon toch uitgeleverd aan de tiran, dan hoeft hij nooit meer terug te komen. Zijn reputatie is immers reddeloos bezoedeld door de perverse tiran.

In veruit de meeste gevallen gaat het echter om inwoners van Sophistopolis die tiran zijn of proberen dat te worden. Men ziet al tirannieke intenties wanneer een Sophistopolitaan een lijfwacht inhuurt of huilend bij de burcht van de stad wordt aangetroffen. Meestal volgt dan een aanklacht, maar in het geval van familieleden zien we eigenrichting: vaders doden hun ambitieuze zonen, broers doden broers – en eisen de beloning op.

Dat de meeste casus gaan over een tiran van binnen de stad heeft ongetwijfeld te maken met de aloude angst van de Romeinen dat iemand uit hun midden de absolute macht zou grijpen. Die angst is ontstaan toen de monarchie (c. 753-509 v. Chr.) onder koning Tarquinius Superbus in een tirannie was ontaard. Hij werd afgezet, en de instelling van de republiek was er vervolgens op gericht om te voorkomen dat één individu alle macht naar zich toe kon trekken. Daarom was er een senaat én een volksvergadering, waren er onschendbare volkstribunen die op alle maatregelen een veto hadden en was het dagelijks bestuur in handen van twee consuls die de macht moesten delen. Ironisch genoeg bleven de meeste van deze instellingen in de keizertijd gewoon bestaan en bleef het Rijk een republiek in naam. Maar doordat de keizers de bevoegdheid van de volkstribunen hadden overgenomen en meestal per decreet regeerden, hadden ze de facto absolute macht en kon hun bestuur gemakkelijk tot een tirannie vervallen.

In zo’n situatie kon het bestrijden van tirannen in Sophistopolis troost bieden of misschien zelfs subtiele kritiek op de actuele toestand van het Rijk overbrengen. Dat was overigens niet zonder risico’s. Milde keizers lieten de declamatoren begaan, maar bij Cassius Dio lezen we dat keizer Caligula redenaar Carrinas Secundus liet verbannen vanwege een declamatie tegen tirannen, en dat Domitianus de sofist Maternus zelfs liet doden om hetzelfde vergrijp. Beide keizers lieten hiermee zien dat de vermeende kritiek doel trof, maar dat zal een schrale troost zijn geweest. 

Geschreven door
prof. dr. B.M.C. Breij (Bé)
prof. dr. B.M.C. Breij (Bé)
Bé Breij is hoogleraar Antieke Retorica en directeur van het Radboud Kenniscentrum voor Retorica Peitho. Ze gebruikt haar kennis over antieke retorica ook om taalgebruik in het hedendaagse publieke debat te analyseren.