In haar promotieonderzoek bestudeert Kösters hoe verschillende groepen arbeiders in Nederland zich vanaf de jaren ’60 organiseerden. Ze liet zien dat de detailhandel (supermarkten en warenhuizen) daarbinnen een aparte casus vormen. Waar de vakbonden van oudsher goed georganiseerd waren in de industrie, betekende de de-industrialisering in Nederland vanaf de jaren ’70 dat vakbonden als FNV leden verloren, en in de opkomende dienstensector nog minder goed vertegenwoordigd waren.
Dat gold zeker voor de supermarkten. Nadat in 1953 in Nederland de eerste supermarkt geopend was, ontstonden al gauw grote, succesvolle ketens als Albert Heijn. Om concurrerend te kunnen zijn, zette Albert Heijn vanaf de jaren zestig in op de flexibilisering van arbeidsvormen voor hun winkelpersoneel. Ook streed het concern jarenlang voor een verruiming van de openingstijden, waar de middenstand niet tegen op kon concurreren.
Daarmee kwam ook de positie van winkelpersoneel van supermarktketens als Albert Heijn onder druk te staan. De lonen waren laag, de arbeidsomstandigheden lieten te wensen over. Toch genoten vakbonden weinig bekendheid onder winkelpersoneel, en waren slechts weinigen van hen lid.
Daar wilde de Dienstenbond FNV eind jaren ’80 verandering in brengen. In supermarkten, waar veel vrouwen en jongeren werkten, zag zij gelegenheid om met grootschalige acties meer naamsbekendheid en leden te verwerven. Op initiatief van FNV Diensten legden medewerkers van Albert Heijn in 1989, 1990, 1992 en 1995 door het hele land het werk neer. Zij verzetten zich tegen de voortdurende verruiming van de openingstijden en streden voor loonsverhoging.
De stakingsacties waren strak en centraal georganiseerd, liet Kösters zien. Aangezien winkelpersoneel verspreid was over verschillende filialen, ging het vaak om guerrilla-acties en estafettestakingen. Die hadden minder landelijke impact dan bijvoorbeeld treinstakingen of het langdurig stilleggen van een fabriek. Dat heeft eraan bijgedragen dat deze stakingen uit het collectieve geheugen verdwenen lijken te zijn. Bovendien hielden de supermarktwerknemers zich lang niet altijd aan de door de FNV uitgezette ‘lijn’ en organiseerden, los van de vakbond, hun eigen stakingsacties.
Daarmee passen deze stakingen van Albert Heijn winkelpersoneel niet in het heersende beeld dat in deze periode weinig gestaakt werd. Het lijkt erop dat de aloude sociale spanningen en ideologische tegenstellingen in deze periode van ‘nieuwe zakelijkheid’ niet zo zeer verdwenen, maar dat ze zich verplaatsten naar nieuwe terreinen en sectoren.