Het regresverbod in de WHOA: op zoek naar een rechtvaardige balans
Een onderneming kan in financiële moeilijkheden verkeren, maar in de kern nog levensvatbaar zijn. In dat geval kan de onderneming met haar schuldeisers afspraken maken over het verlagen of anderszins regelen van haar schulden. Die afspraken worden vastgelegd in een akkoord. Sinds 2021 bestaat daarvoor een speciale wet: de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA). Deze wet moet voorkomen dat levensvatbare ondernemingen failliet gaan. Vaak krijgen schuldeisers op grond van zo’n akkoord slechts een deel van hun geld terug. Niettemin ontvangen zij nog altijd meer dan zij in een faillissement zouden ontvangen.
Omdat de WHOA nog vrij nieuw is, is de toepassing van sommige regels nog niet volledig uitgekristalliseerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor het zogenoemde ‘regresverbod’. Dit verbod speelt een rol bij driehoeksverhoudingen. Daarbij staat een derde partij, zoals een borg, garant voor de betaling van een schuld die de onderneming aan een schuldeiser heeft. Krijgt de schuldeiser vanwege het akkoord niet al zijn geld terug van de onderneming, dan kan hij zich wenden tot de garantsteller voor volledige betaling. Betaalt de garantsteller aan de schuldeiser, dan verkrijgt hij een regresvordering op de onderneming. Daarmee kan de garantsteller het bedrag dat hij aan de schuldeiser heeft betaald, terugvorderen van de onderneming. Het regresverbod in de WHOA blokkeert echter deze regresvordering. De garantsteller mag het betaalde bedrag niet op de onderneming verhalen. Daarmee wordt voorkomen dat de onderneming alsnog – via de garantsteller – met de oorspronkelijke schuld wordt geconfronteerd, terwijl die schuld door het akkoord juist was verminderd. Zou regres wel mogelijk zijn, dan zou de onderneming alsnog failliet kunnen gaan. Voor de garantsteller heeft dit verstrekkende gevolgen: de door hem betaalde schuld komt volledig voor zijn eigen rekening.
De toepassing en reikwijdte van het regresverbod roepen veel vragen op. Inmiddels is hierover tot aan de Hoge Raad geprocedeerd, die naar verwachting in het najaar van 2026 uitspraak doet. In haar scriptie loopt Sophie vooruit op de beantwoording van enkele principiële vragen en onderzoekt zij of een rechtvaardige balans mogelijk is tussen het behoud van een levensvatbare onderneming en het belang van de garantsteller bij terugbetaling.