Geestelijke gezondheidszorg
Geestelijke gezondheidszorg

Waarom er meer oog moet komen voor de intermenselijke factor bij psychische zorg

De geestelijke gezondheidszorg mag de afgelopen decennia dan wel humaner en efficiënter zijn geworden, maar niet effectiever. Dat stelt Giel Hutschemaekers, afzwaaiend hoogleraar binnen de afdeling Klinische Psychologie aan de Radboud Universiteit. In zijn afscheidsrede pleit hij voor een omwenteling. ‘We willen alle interventies maar wetenschappelijk verantwoorden, daar zijn we in doorgeschoten.’

Het is een eerlijke, maar ook opvallende bekentenis. ‘We zijn in het onderzoek naar de psychische zorg het verkeerde pad op gegaan. En daar heb ook ikzelf aan bijgedragen’, geeft Hutschemaekers toe. De oorsprong daarvan ligt volgens hem in de jaren 80 en 90. ‘Vanaf toen werd er in de gezondheidszorg anders naar de inzet van interventies gekeken, namelijk met de vraag: zijn ze écht effectief? Daar moest een eenduidig antwoord op komen, zonder ruimte voor interpretaties. Dat antwoord werd gezocht met een zogeheten ‘Randomized clinical trial’, een onderzoek waarbij groepen cliënten verdeeld werden in een experimentgroep en een controlegroep. Daarmee werd het effect van een interventie gemeten. Maar met die wetenschappelijk verantwoorde methode hebben we binnen de psychische gezondheidszorg het kind met het badwater weggegooid.’

Omringende factoren

Hutschemaekers wijst in zijn uitleg op de valkuil van effectmetingen. ‘Stel: je doet een interventie bij een homogene groep met een homogeen probleem. Dan wordt er doorgaans tijdens de effectmeting alleen gekeken hoe een interventie werkt bij dat specifieke probleem. Daarbij ga je er dan ten onrechte van uit dat diegene die de interventie toedient, er eigenlijk niet toedoet mits het maar goed gebeurt. En ook dat het niet uitmaakt wie de persoon is die de interventie krijgt toegediend en hoe deze en de therapeut zich tot elkaar verhouden.’

Het probleem en de interventie staan dus centraal, bekritiseert Hutschemaekers. 'Natuurlijk: het is belangrijk om een probleem op te lossen, maar bij psychische zorg zijn er ook nog omringende factoren die van invloed zijn. Denk aan de therapeutische relatie en tal van andere intermenselijke factoren. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk hoe je als therapeut een interventie inzet. Dat bepaalt in grote mate de uitkomst van een behandeling. Maar daar wordt in huidige effectmetingen niet naar gekeken.’

Hutschemaekers pleit er dan ook voor dat er weer meer oog komt voor de intermenselijke factor. ‘We willen alle interventies maar wetenschappelijk verantwoorden, daar zijn we echter in doorgeschoten. Waar we volgens mij naar toe moeten, is een andere manier van wetenschap bedrijven. Een manier waarin we de strakheid van een Randomized clinical trial kunnen combineren met oog voor individuele verschillen. En waarin er meer nadruk komt op de intermenselijke relaties, die daadwerkelijk invloed hebben op de uitkomst van een behandeling.’

Ter onderbouwing haalt Hutschemaekers zijn eigen praktijkervaringen aan als therapeut. ‘In mijn werk behandelde ik een groot aantal cliënten, die psychisch waren vastgelopen. Telkens viel het me op dat ik met de inzet van een wetenschappelijk verantwoorde interventie bij de ene depressieve cliënt meer klaarspeelde dan bij de ander. Die verschillen werden niet door de interventie veroorzaakt maar waarschijnlijk veel meer door de relatie tussen mij en de cliënten (therapeutische relatie). We leren onze studenten nog steeds om tijdens het contact met een cliënt zo neutraal mogelijk te zijn, omdat je dan bij een interventie het meest zou bereiken. Mijn stelling is echter: hoe meer je als therapeut gebruikmaakt van je persoonlijk sterke kanten, des te groter de kans dat de cliënt daarmee uit de voeten kan.’

Kracht van de praktijk

Volgens Hutschemaekers is het dan ook tijd voor een omwenteling. ‘We hebben ons, inclusief ikzelf, in de psychische gezondheidszorg te veel laten verleiden door de kracht van de wetenschap en onvoldoende oog gehouden voor de kracht van de praktijk. We moeten ons realiseren dat een psychisch probleem niet hetzelfde is als bijvoorbeeld een blindedarmontsteking. Een blindedarmontsteking verandert niet als je daar naar kijkt of tegen praat, terwijl een psychisch probleem constant fluctueert. Toch hebben we in de gezondheidszorg ten onrechte geprobeerd om tussen deze verschillende vormen van problemen een eenheid aan te brengen. Mijn wens is dat de wetenschap- en de praktijkmensen in de psychische gezondheidszorg meer met elkaar in dialoog komen. De kennis en ervaringen van laatstgenoemde groep zijn enorm waardevol.’

Ondanks zijn constatering dat onderzoek binnen de geestelijke gezondheidszorg de verkeerde kant op gaat, is Hutschemaekers toch hoopvol richting de toekomst. ‘De laatste tijd ontmoet ik tal van onderzoekers en nieuwe promovendi die inzien dat er bij interventies meer oog voor de intermenselijke factor moet komen. Mijn pleidooi is deze nieuwe generatie ruimte geven om hun ideeën hierover verder te brengen. Mijn hoop is op hen gevestigd. En als therapeut heb ik bij cliënten gezien dat alle veranderingen met hoop beginnen. Laat die hoop nu ook voor ons vak de start van een omwenteling zijn.’

Contactinformatie

Thema
Gedrag, Zorg & Gezondheid