Aan mij dit keer de eer om mijn gedachten over een actueel onderwerp op papier te zetten. Figuurlijk dan, want mijn zinnen verschijnen op een blinkend beeldscherm.
Altijd spannend of het lukt om mijn ideeën te structureren in een verhaal met een kop en een staart, ingedeeld in logische alinea’s (of voor de Nederengelssprekenden: paragrafen) en geformuleerd in hopelijk prettig lezende zinnen. En dat in het besef dat ik misschien wel iets heel ouderwets aan het doen ben. Zit iemand hier nog op te wachten? Zijn er nog lezers in de zaal?
In mijn mailbox worden beleidsstukken steeds vaker vervangen door slide decks. Voor wie de term niet kent: dat zijn eindeloze reeksen powerpointdia’s, staccato gevuld met bulletpoints en gelardeerd met stockfoto’s. Die slide decks eindigen altijd met een dia waarop Thank You staat, wat me doet terugdenken aan brugklaspresentaties waar de leerlingen aan het eind altijd applaus in monteerden. Dan was dat alvast binnen. Is er dan iets tegen powerpointpresentaties? Zeker niet, en evenmin tegen bulletpoints als ankerpunten voor een betoog. Alleen lijkt de kunst van het betogen steeds verder buiten beeld te raken.
En dat brengt me op de volgende gedachte: zijn er nog schrijvers in de zaal?
Schrijvers die met gezonde (of ongezonde) spanning gaan zitten voor dat blinkende beeldscherm of de blanco pagina en de worsteling aangaan om de kloof tussen wat ze willen zeggen en wat er uiteindelijk staat zo klein mogelijk te maken. Dit klassieke beeld associëren we misschien eerder met romanschrijvers dan met wetenschappers of beleidsmakers, maar voor iedereen geldt dat schrijven een manier is om orde te scheppen in de chaos van gedachten en ideeën. Al formulerend kom je erachter dat je nog niet precies weet hoe iets zit, dat er nog witte plekken of zwarte gaten in je redenering zitten. Schrijven is denken met je handen. En de voldoening die je kunt voelen bij het zetten van de laatste punt, wetend dat het klopt als een bus en klinkt als een klok, die gun ik iedereen van harte.
Maar we hebben toch Chat en zijn vrienden? Die zich razendsnel ontwikkelen tot ‘klankbord, verhaaladviseur (sic), onderzoeksassistent en redacteur’ (aldus zijzelf), en inmiddels met behulp van de juiste input en prompts precies je eigen schrijfstijl kunnen nabootsen. Wel ironisch: dat mensen veel tijd steken in het geven van precieze instructies over de doelgroep, het beoogde effect en de gewenste stijl met als doel dat een AI-hulpmiddel levert wat je zelf ook had kunnen schrijven: je eigen tekst. Ja maar tijdwinst, hoor ik dan zeggen. Zo efficiënt.
Als een van de besparingsmaatregelen voor mijn werk als bestuurssecretaris wordt voorgesteld om te notuleren met behulp van AI. Dat kan: een woordelijke transcriptie laten maken en daar de actiepunten uit laten destilleren. Alleen spreekt daar wel een ideaalbeeld uit van hoe het er in vergaderingen aan toe gaat: gestructureerd, logisch en rationeel. Vanuit mijn ruime ervaring aan vergadertafels kan ik melden dat het er doorgaans minder rechtlijnig aan toe gaat. Dat het meanderen van de discussie soms leidt tot de beste oplossingen, en de tijd die aan een onderwerp besteed wordt niet alleen wordt bepaald door het gewicht ervan, maar ook door persoonlijke opvattingen van de bestuurders. De kunst van het maken van een goed vergaderverslag is dat je die soms chaotische werkelijkheid vertaalt in iets waarvan de deelnemers achteraf denken: dat hebben we toch mooi gezegd. Schrijven is ook kiezen. En actiepunten – die kun je het beste ter plekke formuleren en met de aanwezigen afstemmen. Dat is niet alleen efficiënt, maar ook effectief.
En voor wie denkt dat ik nu preek voor eigen parochie: de uitdrukking ‘wie schrijft die blijft’ schijnt al door de Romeinen gebezigd te zijn. Aldus Gemini.