Radboud Universiteit
Zoek in de site...

Aenmerkingen

Datum bericht: 29 december 2020

Door Peter Altena

Vele, vele jaren was ik in de Nijmeegse UB kind aan huis, al wist ik ook dat het niet mijn thuis was.

Mijn UB is de Amsterdamse, aan het Singel, maar ik durf daar niet meer heen, voel me er ontheemd. Sinds enige jaren geldt dat overigens ook voor de Nijmeegse, maar dat is een verhaal dat ik nu niet vertellen wil. Dat van de Amsterdamse ontheemding ook niet. Nu hoop ik maar dat deze onvertelde verhalen als steentjes in schoenen hun werk doen, ergernis wekken en ertoe leiden dat reddende engelen zich melden.

In zomervakanties, zo ongeveer vanaf 1975, meldde ik me met mijn verlangen in de Nijmeegse UB, vaker nog op de instituutsbibliotheek Nederlands. In Nijmegen was ik naar school gegaan en ik had er ook wel Nederlands willen studeren, maar een plaatsingscommissie verdreef me naar Amsterdam. De studie Nederlands in Amsterdam vond ik uiteindelijk fijner dan de studie Nederlands in Nijmegen die ik niet volgde. In de zomervakantie bereidde ik in Nijmegen tentamens voor, na een paar jaar las ik er hele achttiende-eeuwse romans, zoals Het Land van Elisabeth Maria Post.

In 1982 keerde ik als verloren zoon terug naar Nijmegen, om er als leraar Nederlands aan het Dominicus College te werken. Op de UB kwam ik collega’s tegen en het was dus heel normaal om daar te lezen en te studeren. Kort na mijn terugkeer benaderde Jan de Vet, mijn oud-leraar en collega, me of ik niet een door hem en Hans Bots verzorgd werkcollege over het Journal Littéraire wilde volgen. Het was een college, waarin studenten en afgestudeerden samen optrokken, met het idee dat de artikelen die er ontstonden gepubliceerd zouden worden. Ik hoefde er niet lang over na te denken. Deed zich nu weer zo’n buitenkans voor, ik zou me onmiddellijk melden. Het is wel jammer dat de academie dergelijke buitenkansen niet meer biedt en afgestudeerden vooral veel succes wenst in het verdere leven, buiten de universiteit natuurlijk.

Veel van de deelnemers aan dat werkcollege zouden later naam maken als illustere personages: Otto Lankhorst, Rob van de Schoor, Marlies Schillings, Leonie Maass en mijn goede vriend Michel Uyen. Of ik of het duo Bots & De Vet op het idee kwam, weet ik niet meer, maar mijn bijdrage zou zich richten op de aanwezigheid van Nederlandse auteurs in het Haagse Journal. In 1713, in een van de eerste nummers van het Journal, maakte de recensent gehakt van Reyer Anslo, wiens Poezy in dat jaar in Rotterdam uitgegeven was in een editie van Joan de Haes. Anslo was al ruim veertig jaar dood. Wie wel boos was, was De Haes. En zijn vrienden.

De recensent had zich gestoord aan De Haes’ lofzang op Vondel. In 1713 leefde Vondel ook niet meer, maar heel veel Nederlandse dichters vonden Vondel nog steeds de maat der dingen. De recensent die in het Journal Anslo geslacht had en Vondel van zijn lauweren had beroofd, was Justus van Effen. Zijn recensie was het begin van de zoveelste episode in de zogenaamde ‘Poëtenstrijd’, de Nederlandse variant van de ‘querelle des anciens et des modernes’. De Anslo-recensie werd bestreden in een pamfletje.

Aenmerkingen over het uittreksel van R. Ansloos poezy in zekere Boekzael, genaemt Journal literaire. Rotterdam, 1713 (Ex. UBN)

De beste literatuur van de achttiende eeuw is te vinden in pamfletten. Die kwamen anoniem uit en boden een ongekende vrijheid van meningsuiting. De bijdrage van pamfletten aan het ontstaan van de openbaarheid en de democratie in Nederland zou wel eens onvermoed groot kunnen zijn.

Ik wilde dat pamfletje graag zien: het beloofde rumoer, ongelikte waarheden, strijd! Ik wist dat het Aenmerkingen over het uittreksel van R. Ansloos Poezy heette. Beetje saaie titel, maar een exemplaar kon ik niet vinden. In enkele al wat oudere studies, onder andere over het werk van Anslo, werd uit de tekst van het pamflet geciteerd. Naar het pamflet heb ik waarachtig wel gezocht: eerst in de Amsterdamse UB, vervolgens in de K.B. en in de C.C. (de Centrale Catalogus, in het gebouw van de KB), in Leiden ook en in het archief van Rotterdam. Het pamfletje was immers net als Poezy in Rotterdam uitgekomen, dus ja, Rotterdam was zo gek nog niet. Nul!

De tekst van mijn bijdrage over het ‘Journal Littéraire en de Poëtenoorlog in de Nederlandse literatuur’ was bijna klaar. Om gedrukt te worden zelfs. Tot ik op een onbewaakt moment, in afwachting van oude drukken, in een kaartenbak met oude drukken neusde. Chronologisch geordend. Die kaartenbak stond naast het uitgiftepunt oude drukken. Ik keek eens bij 1713 en een beetje gevorderde lezer voelt het vervolg al aankomen. In de bibliotheek van de zo piepjonge Nijmeegse universiteit was het enige exemplaar van Aenmerkingen te vinden. Die kaartenbak is er niet meer, via de STCN is het zoeken een eitje geworden en die STCN laat zien dat het Nijmeegse exemplaar nog steeds uniek is. In mijn artikel kon ik net doen alsof het vinden van het pamfletje een routineklusje was geweest.

Portret uit R. Ansloos Poezy. Rotterdam, 1713 (Ex. UBN)

Dat artikel over het ‘Journal Littéraire’ is niet het beste wat ik geschreven heb, maar jammer genoeg wel mijn meest geciteerde en gelezen artikel. Goed gelezen? Paar jaar na de verschijning van het artikel kreeg ik een telefoontje van Riet Hoogma, mede-firmante van antiquariaat ‘Fragmenta Selecta’. ‘Peter, er is een Anslo-editie te koop met bijgebonden dat pamfletje waarover je schreef.’ Zij bood aan voor mij te bieden: als de prijs laag blijft, is dat gunstig voor je portemonnee en pijnlijk voor je faam, dan heeft niemand je goed gelezen.’ Uiteindelijk wist Riet het voor mij te verwerven, het was niet duur en de Aenmerkingen waren present. Ego’s troost bestond uit de kaduke band van de aankoop. Die beschadigde band, dat was natuurlijk de echte oorzaak van de sympathieke prijs.