Radboud Universiteit
Zoek in de site...

Emeritus hoogleraar Piet Buijnsters: ‘Ik ben een gemankeerde antiquaar’

Datum bericht: 10 december 2020

Als student was hij al een verwoed boekenverzamelaar. Eenmaal hoogleraar Oude Nederlandse letterkunde en Boekwetenschap (1971-1995) aan de Radboud Universiteit kocht Piet Buijnsters zijn eigen werkbibliotheek bij elkaar. Want zonder de authentieke materialen gaat het niet. ‘Je moet rechtstreeks naar de bron’, zoals hij ook studenten leerde. Een gesprek over de troost van boeken in coronatijd, de kunst van het verzamelen en zijn eigen Grote Drie.

Tekst: Bea Ros

In de hal van zijn huis tref je de eerste boekenkasten. In de werkkamer op de begane grond zijn drie wanden bekleed met boeken. ‘Dit hier’, zegt Piet Buijnsters, wijzend naar enkele planken, ‘is allemaal Betje Wolff en Aagje Deken. Er is niets wat zij hebben geschreven dat hier niet staat. En hier staat Bilderdijk, ook alles.’ En zo zijn er meer deelverzamelingen, schurkenlevens staan genoeglijk naast gebedenboekjes. De kwetsbare werken en incunabelen staan achter glas in de zitkamer. Het is coronatijd, dus een rondleiding door de rest van het huis gaat niet. Maar overal staan boeken, verzekert Buijnsters me. ‘Alleen op de wc niet.’

Hoeveel het er zijn? Buijnsters heeft geen idee en het interesseert hem ook niet. ‘Het gaat niet om het aantal, maar om de apartheid en de inhoud.’ Zijn verzameling is bovendien levend: oude onderdelen worden afgestoten, nieuwe liefdes komen erbij. Zo speuren hij en zijn vrouw tegenwoordig alleen nog maar naar zestiende-eeuwse grafiek. ‘Ik verzamel geen oude boeken meer, omdat ik ze niet meer kan vinden. En als ik ze wel vind, zijn ze onbetaalbaar.’
Ze hebben hun vermaarde collectie oude kinderboeken en kinderspeelgoed grotendeels geschonken aan de Universiteit van Tilburg (waar de enige hoogleraar Jeugdliteratuur van Nederland zit), hun zoon heeft de verzameling van Sherlock Holmes overgenomen en de collectie tijdschriften is verkocht. ‘Ik was blij als ik soms wat kon weg doen, verzamelingen  waar ik me toch niet meer mee bezig hield. En die tijdschriften, dat zijn echt ruimtevreters. Vaderlandsche Letteroefeningen in tachtig delen.’

Piet Buijnsters in zijn werkkamer. Foto: Dick van Aalst

Wat is uw drijfveer?
‘Ik had van jongs af aan al belangstelling voor boeken. Mijn vader ook. Boeken, dat was voor mij alles. En nog steeds. Als we geen boeken hadden, wat zouden we dan moeten doen?’ Om zich heen gebarend: ‘Hier zitten hele werelden in. Ik zit elke dag in deze boeken te lezen. Mijn vrouw en ik treuren alleen dat we tijd verliezen dat we niet kunnen lezen.’

Dus u komt de lockdown goed door?
‘Ja. In deze ontzettend saaie coronatijd beleef ik veel plezier aan mijn boeken. Ik kan alleen niet meer naar antiquariaten. Maar dan troost ik mezelf met dat er ook niet veel meer zijn.’

Werkbibliotheek

Eigenlijk komt het door hoogleraar Willem Asselbergs (beter bekend onder zijn schrijversnaam Anton van Duinkerken) dat Buijnsters zich heeft gespecialiseerd in de achttiende-eeuwse letterkunde. ‘Asselbergs was heel goed thuis in de middeleeuwen, de zeventiende eeuw en natuurlijk de twintigste eeuw. Het was moeilijk iets te vinden waar hij niet heel veel van af wist. Alleen de achttiende eeuw was een blinde vlek, daar kon ik iets nieuws doen. In die eeuw was nog iets te ontdekken. Als je daar een spa in de grond stak, had je gelijk, ik zal niet zeggen een goudmijn, maar wel een interessant gebied te pakken. Er was in die tijd eigenlijk maar één grote figuur die zich met de achttiende eeuw bezighield, Jacobus Wille, hoogleraar en bibliothecaris aan de Vrije Universiteit. Zijn dissertatie was mijn bijbel.’

Vaak wordt gezegd dat de achttiende eeuw in Nederland niets voorstelt. In het buitenland had je de Verlichting, maar hier was het een saaie boel. Klopt dat?
‘Nou, de tijd zelf was helemaal niet saai. De Republiek hier was een vrijhaven voor Franse dissidenten. Nederland stond bekend als het boekenland, het magasin des livres. Frankrijk kende een heel strenge censuur, maar bij ons kon alles gedrukt worden. Toen is het antiquariaat geboren. Suf waren alleen een aantal Nederlandse dichters, Huydecooper en al die andere opgeblazen figuren. Soms trek je een boek uit de kast en denk je: o, mijn God. Het begint met twintig lofdichten op de eigen bundel.’

Piet Buijnsters met een fragment uit zijn collectie achttiende-eeuwse romans. Foto: Dick van Aalst

Toen Buijnsters in 1971 hoogleraar werd, had de Nijmeegse universiteitsbibliotheek (UB) nauwelijks iets voor hem in huis. ‘Ik moest naar Amsterdam of Den Haag gaan als ik een boek wilde raadplegen. Voor hetzelfde gemak kon ik zelf die boeken kopen. Er was in die tijd nog overvloed, voor weinig geld had je al wat. Ik was een soort gemankeerd antiquaar en goed bekend met allerlei plaatsen waar je oude boeken kon vinden.’
Zo vormde zich een werkbibliotheek en begon hij thuis doctoraalcolleges te geven. ‘Hier had ik de boeken bij de hand.’ Later groeide ook in de UB de collectie achttiende-eeuws. ‘De bibliothecaris, Robert Arpots, was een oud-student en promovendus van mij. Hij werd door mij aangestoken. Hij heeft de lacune gevuld.’

Waarom is het zo belangrijk de boeken zelf in handen te hebben?
‘Er waren en zijn zoveel mensen die iets schrijven zonder dat ze de boeken zelf gezien hebben. Mijn motto is altijd geweest: ad fontes, naar de bron zelf. Dat leerde ik mijn studenten ook. Dat geldt nog steeds, ook al is er tegenwoordig veel digitaal beschikbaar.’

Wat mis je zonder het object zelf?
‘Het papier, de band die een hele geschiedenis kan vertellen. Boeken hebben een eigen tactiele kwaliteit. En niet te vergeten aantekeningen van gebruikers in een boek. Al die dingen leren je zo veel over de boekcultuur en het boekgebruik in een bepaalde tijd.’

Om vat te krijgen op die boekcultuur moet je niet alleen varen op de canon, maar juist ook naar populaire lectuur kijken. Buijnsters heeft bijvoorbeeld een verzameling schurkenlevens, een typisch achttiende-eeuws genre. ‘Daar ben ik dol op. Ik heb een platonische liefde voor de misdaad.’ Hij trekt wat boekjes uit de kast: ‘Beruchte vergiftigster’, ‘De vijftienjarige booswicht’, ‘Moord door een tweegevecht’. ‘Het is een beetje Telegraaf-literatuur. We moeten de waarde ervan niet overschatten. Als je er één hebt, is het niets, maar als je er honderd hebt, wordt het interessant. Maar vind zo’n boek maar eens. Deze lectuur is veel moeilijker te vinden dan een eerste druk van Sara Burgerhart. Omdat dit wegwerpliteratuur was, op goedkoop papier en slecht gedrukt.


Titelpagina van een schurkenleven.

Boekenjager

Als student al fietste Buijnsters vanuit Nijmegen naar de Bakkerstraat in Arnhem. ‘Daar had je enkele antiquariaten. In een ervan liep je tot je knieën in de oude boeken. Ik kwam met tassen vol thuis.’
Later ging hij, samen met zijn vrouw die zijn boekenliefde deelt, elk vrij moment met de auto op pad. ‘Ik had een van onze kinderen een kaart van Nederland laten maken met alle plaatsen waar een antiquariaat was. Andere steden konden me niks schelen.’

Voor zijn boekenloopbaan zijn drie mensen van groot belang geweest. Met stip op één staat Michiel Buisman. ‘Hij was een boekenjager bij uitstek. Ik was het al, maar Buisman was het in het oneindige.’
Voor de oorlog schuimde Buisman samen met twee kompanen de markt af, op zoek naar populair proza uit voorgaande eeuwen, van robinsonades tot en met roversverhalen. ‘De een, John Scheepers, was meubelmaker, Johan Versnel was kantoorbediende en Buisman onderwijzer. Ze hadden Nederland in drie stroken verdeeld en kwamen elke zaterdag bij elkaar om de oogst te bekijken.’
Het ging Buisman, zoals Buijnsters later in zijn levensbericht (1987) over hem zou schrijven, niet alleen om het boekenbezit, hij wilde het terrein waar literatuurwetenschappers tot dan toe hun neus voor ophaalden, in kaart brengen. Hij stelde zoeklijsten samen en dat resulteerde in de bibliografie Populaire prozaschrijvers van 1600 tot 1815 (1960). ‘Vooral antiquaren maakten daar gretig gebruik van, pas veel later is de waarde ervan ook in de academische wereld erkend.’

Hoe hebt u hem leren kennen?
‘Via een van de Arnhemse antiquariaten waar hij als vrijwilliger werkte. Hij gaf me zijn bibliografie en zo ontdekten we onze gedeelde liefde. Veel van mijn collega’s dachten dat hij allang dood was en schreven over ‘wijlen M. Buisman’. Maar ik bezocht hem elke maand in zijn villa in Ede. Alleen, want hij was vrijgezel en bepaald niet gesteld op vrouwen. Hij woonde in een kast van een huis, helemaal vol boeken. Buisman zat daar innig vergenoegd tussen. Hij had nooit meer dan een kwartje voor een boek betaald.’

Hebt u via hem veel boeken verworven?
‘Ik vroeg wel eens of ik er een paar mocht overnemen. Maar meer dan één tegelijk wilde hij nooit kwijt en ik moest daarna ook altijd meteen weggaan. Na jaren zei ik: meneer Buisman, er werd nooit getutoyeerd, dat snapt u wel, ‘meneer Buisman, die boeken van u, waar gaan die straks naartoe? Ik ben erin geïnteresseerd.’ Toen hij is overleden, werd ik opgebeld door de notaris. Alles overnemen kon niet, dan had ik er twee huizen bij moeten kopen. Maar ik ben er met mijn Opel Record naartoe gereden en heb die helemaal volgeladen. De rest is op een veiling verkocht. Ik heb ook de hele correspondentie van Buisman gekregen. Daar zaten nog briefjes bij van leerlingen nadat hij een ongeluk met de tram had gekregen. ‘Lieve meester, hoe gaat het nu met uw been?"


Handtekening van Michiel Buisman in een boek met datum van aankoop.

Strenge leermeester

De tweede leidsman in Buijnsters loopbaan was Hendrik Höweler, bibliothecaris van de Vrije Universiteit en leerling van Wille. ‘Eens in de maand ging ik naar Buisman en eens in de maand naar Höweler. Als ik alleen Buisman had gehad, was ik te veel antiquaar geworden, maar Höweler, was een strenge leermeester en hij hield me heel strak op het wetenschappelijke pad. Van hem heb ik de hele bibliotheek, met vooral wetenschappelijke boeken over oude letterkunde, geërfd.’

Welke les leerde u van Höweler?
‘Dat je nooit tevreden moet zijn over jezelf. Hij was zeer kritisch. Via hem kwam ik weer in contact met anderen, onder andere de familie Six. Ik ging dan voor hem naar Amstel 218 om in het familiearchief van Six de correspondentie uit de kring van dichteres Lucretia van Merken te bekijken. Ik was een jonge onbekende figuur, nog net geen snotneus, maar ik werd altijd heel vriendelijk ontvangen. En dan zeiden de freules Six: meneer Buijnsters, mogen we u nu even Rembrandts portret van onze overgrootvader laten zien? Ik ging dan even mee naar een aparte kamer waar het schilderij hing. Toen was ik nog niet zo in adoratie als ik nu misschien zou zijn geweest. Ik keek er vooral beleefd naar, omdat zij zo aandrongen.’

En wie was de derde bepalende figuur?
‘Dat is kinderboekenman Coen van Veen. Buisman was een burgerman, totaal niet avontuurlijk ingesteld, Höweler de strenge leermeester en Van Veen was een fantastisch wilde figuur. Als mijn vrouw en ik na een bezoek bij hem terugreden, moesten we altijd even de auto in de berm zetten, omdat we zo aan het lachen waren. Hij leerde me: als je ergens in geïnteresseerd bent, komt het vanzelf naar je toe. Dan dacht ik altijd: wat een flauwekul, maar het was waar.

Mausoleum

Buijnsters is zo'n veertig jaar lid van Nonpareil, een vriendenclub van mensen uit de wereld van het boek die maandelijks bijeenkomen. Zijn vriendenkring telt vele antiquaars en boekenmensen, waaronder de nodige oud-studenten. Maar bibliofiel zal hij zichzelf nooit noemen. ‘Dat doet me denken aan mensen die privédrukjes in veertig exemplaren hebben. Dat vind ik te veel een geprogrammeerde zeldzaamheid, er zijn er maar veertig gedrukt en die zijn er alle veertig nog. Mijn grote held Buisman was daar ook wars van. Ik zorg wel goed voor mijn boeken, maar dat is iets anders.’

Welk boek is u het meest dierbaar?
‘Het boek waar ik het meest aan gehad heb, is dit.’ Hij houdt de bibliografie van Buisman omhoog. ‘Dat was mijn bijbel voor de boekenjacht. Kijk, ik kan ook sentimenteel worden en het enige boek pakken dat Buisman me heeft gegeven en waarin hij heeft geschreven ‘aan mijn vriend P. Buijnsters’. De eerste en enige keer dat hij zich ooit heeft laten verleiden tot intimiteit.’

Net zoals u ooit Buisman voorzichtig hebt gepolst: heeft u al een idee wat er straks met jullie verzameling moet gebeuren?
‘Ja, daar moet je op een gegeven moment over nadenken. Ik ben net 87 geworden en mijn vrouw is 83. Ik ben bevriend met een aantal antiquaren en die kennen mijn collectie wel. Dus tegen de tijd dat het nodig wordt, kunnen we zeggen: kom maar. Maar er is geen plan, geen papieren. Ik wil dat zo lang mogelijk uitstellen, want ik houd van mijn boeken. Van de twee mogelijkheden, naar een universiteitsbibliotheek of op de open markt, kiezen wij voor dat laatste. Zo’n bibliotheek is vaak een mausoleum. Hooguit kunnen ze bepaalde dingen overnemen, om studenten onderzoek naar te laten doen. Maar de hele zaak? Nee, boeken moeten in beweging blijven.’


Foto: Ex-libris van Piet Buijnsters en Lin Buijnsters-Smets.


Piet Buijnsters
Piet Buijnsters (Breda, 1933) studeerde Nederlands in Nijmegen en promoveerde in 1963 op de achttiende-eeuwse dichter Rhijnvis Feith. Sinds 1962 is hij verbonden aan de Radboud Universiteit, eerst als medewerker en sinds 1971 als lector en later hoogleraar Oude Nederlandse letterkunde en Boekwetenschap. Daarnaast heeft hij jaren Nederlands gegeven aan de MO-opleidingen in Utrecht en Arnhem. Hij publiceerde over onder meer Betje Wolff en Aagje Deken, Hieronymus van Alphen en Justus van Effen. Na zijn emeritaat schreef hij drie boeken over de geschiedenis van het antiquariaat en de bibliofilie in Nederland (2007, 2010) en België (2013). Samen met zijn vrouw Lin Buijnsters-Smets publiceerde hij twee overzichtswerken van oude kinderboeken, Lust en leering (2001), en prenten en papieren kinderspeelgoed, Papertoys (2005).

Meer lezen?