Radboud Universiteit
Zoek in de site...

Indiana Jones in de bibliotheek

Waar komt het vandaan? Wie heeft het gemaakt en hoe is het gebruikt? In een door de lockdown gehinderde speurtocht probeerde het team van Radboud Erfgoed het verhaal achter een vijfhonderd jaar oud handschrift te achterhalen. Het spoorzoeken in de middeleeuwen resulteerde in een ontdekking en de aankoop van een bijzonder gebedenboek.

Tekst: Bea Ros

Conservator Chris Dols ziet de scène nog haarscherp voor zich. Johan Oosterman, hoogleraar Oudere Nederlandse Letterkunde en programmadirecteur Radboud Erfgoed, die eind januari 2020 met een grote envelop hun werkkamer kwam binnenlopen. ‘Als een Indiana Jones kwam hij ermee aanzetten.’ In de envelop zat een middeleeuws handschrift. ‘Mijn collega Eefje Roodenburg wist er al van en veerde onmiddellijk op. Ik dacht: waar gaat dit over?!’

Servaas-band

Gebedenboek. Zuid-Nederlands, vermoedelijk omgeving Moderne Devotie, rond 1500. Meer informatie vermeldde de omschrijving bij het handschrift niet. Of hij eens wilde kijken of het de moeite waard was, had een antiquaar Oosterman eind 2019 gevraagd. Eén blik op de aangeleverde foto’s was voldoende voor de eerste prikjes opwinding. Desgevraagd stuurde de antiquaar hem het handschrift toe. ‘Toen ik het in het echt zag, wist ik: hier is veel meer over te achterhalen. Hier zit een interessant verhaal achter.’

Reden voor uitgebreid nader onderzoek. En om het kostbare handschrift, vijf eeuwen oud, niet op Oostermans kamer in het Erasmusgebouw te bewaren, maar veilig op te bergen in de kluis van de UB. Hij liet conservator Eefje Roodenburg een bruikleenovereenkomst opstellen en het gebedenboek kreeg een veilige plaats in de kluis.

Gebedenboek Maagdendries buitenkantHet handschrift lag daar koud of de intelligente lockdown ging in. ‘Ik kon er maanden niet meer bij en dacht regelmatig: had ik het maar thuis op mijn bureau.’ Hij was aangewezen op internet en wat hij toevallig aan vakliteratuur thuis onder handbereik had. Waar komt dit handschrift vandaan? De eerste aanwijzing was de band van het gebedenboek: nog het originele leer met daarin een stempel van Sint-Servaas gedrukt. Oosterman herinnerde zich het overzichtsartikel van collega-hoogleraar van Letteren, Jos Koldeweij, over de Servaas-banden. ‘Die zijn er in verschillende types en dat van ons gebedenboek kwam voor bij een stuk of twaalf, vijftien boeken, uit Maastricht en oostelijk Brabant.’ Hij keek en vergeleek en kwam tot de conclusie dat dit gebedenboek uit Maastricht moest komen en zette op een rij wat er bekend was over de herkomst van deze boeken. ‘Het werd mij duidelijk dat dit type stempelband een sterke aanwijzing was voor het Maastrichtse vrouwenklooster Maagdendries.’

Nog net voor de lockdown kon hij op onderzoek in de collectie oude handschriften van andere bibliotheken. In de UB van de Universiteit van Amsterdam zag hij op 25 februari een gebedenboekje met precies dezelfde stempelband en een vrijwel identiek slot, op 11 maart zag hij in Leiden wederom een specimen en daarvan is zeker dat het uit Maagdendries afkomstig is. In de zomer, toen het weer even mocht, bezocht hij Museum Het Catharijneconvent. ‘Daar zag ik een handschrift dat tot dan toe niet met Maagdendries in verband is gebracht, maar dat ik nu ook met heel grote waarschijnlijkheid daar kan lokaliseren.’

Maar honderd procent zekerheid had hij nog niet. ‘Want qua teksten is er ook veel verwantschap met kloosters in Hasselt en vooral Maaseik. Je wilt een smoking gun: een bewijs dat het echt uit dat klooster Maagdendries komt.’

Eigendomsnotities

Dat bewijs kwam er door nader onderzoek van de eigendomsnotities op de laatste bladzijde in het gebedenboek: ‘Desen bock hoert to suster Catterina Bonen.’ En: ‘desen bock hooirt to suster Elsabiet.’ ‘Ik tikte die namen in een paar databases in, maar dat leidde tot niets. Ik dacht: als ik die namen vind, heb ik beet.’ Door de lockdown was normaal archiefonderzoek niet mogelijk. ‘Anders was ik allang een paar dagen neergestreken in Maastricht om het kloosterarchief te bekijken.’

Maagdendries? Toen conservator Chris Dols dat eind januari 2020 hoorde, ging er bij hem meteen een belletje rinkelen. Hij had toevallig net, als redacteur van Publications, het jaarboek van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, een artikel binnengekregen over klooster Maagdendries en de Moderne Devotie in Maastricht. Onder embargo mailde hij dit artikel van mediëvist Koen Goudriaan (emeritus Vrije Universiteit) door naar Oosterman. Het artikel, waarin acht handschriften uit Maagdendries besproken worden, vermeldt de bewuste namen niet. Wel wist Goudriaan desgevraagd Oosterman per mail te melden dat er een negentiende-eeuwse lijst van de zusters van Maagdendries bestaat, zij het dat niet helemaal duidelijk was uit welke bronnen die auteur zijn gegevens had. ‘En in die lijst, die ik gewoon thuis via Delpher op mijn laptop kon bekijken, kwam een Catharina van den Bonen voor. Een iets andere spelling, maar eigennamen verhaspelde men in die tijd vaak.’

Beet dus. Het verhaal kreeg een hoofdpersoon. ‘Deze Catharina van Bonen bleek procuratix, zeg maar zakelijk leider, van klooster Maagdendries te zijn, precies in de goede periode.’ Oosterman droomde zelfs al een beetje verder. In het colofon staat namelijk ‘Bidt om gods wille enen ave maria voer die scrijfersse l.v.b.’ ‘Ik dacht: een L. van B, wellicht is de kopiist wel een verwante van Catharina, een Liesbeth van Bonen.’ Dat is natuurlijk rijkelijk speculatief en om dat hard te krijgen is meer spitwerk nodig. Maar het colofon geeft het verhaal wel degelijk ook een persoonlijk gezicht. ‘Het beeld van de middeleeuwen is dat kopiisten anoniem werkten. Deze l.v.b. wijst erop dat dat niet altijd zo was. Voor iedereen uit het klooster moet immers duidelijk zijn geweest wie l.v.b. was.’

Mystiek

De eerste eigenaar van ons gebedenboek is dus Catharina van Bonen. Het betekent niet dat het letterlijk haar eigendom was, want kloosterlingen mochten geen eigen bezit hebben, maar wel dat ze het recht had het in haar cel te bewaren en te gebruiken. En dat zal ze vaak gedaan hebben, want je ziet dat het boek intensief is gebruikt. Misschien wel dagelijks, want het gebedenboek heeft bijna negenhonderd bladzijden met gebeden en psalmen voor elk moment van het kerkelijk jaar.

Wat kreeg ze zoal onder ogen? Dat heeft Oosterman in de zomer van 2020 echt goed bestudeerd. Na maandenlang alleen naar een paar haastig gemaakte foto’s getuurd te hebben kreeg hij toen het handschrift uit de kluis en sloot hij zich enige dagen in de Leeszaal Bijzondere Collecties op. Daar zag hij bevestigd wat hij al vermoedde: dit gebedenboek is literair en boekhistorisch razend interessant. ‘Het bevat een enorme diversiteit aan gebeden met opvallend veel niet-stereotiepe gebeden. Het zijn geen unieke teksten hoor, de meeste zijn wel uit twee of drie andere handschriften bekend, maar met een opvallend rijke beeldspraak.’ Een voorbeeld is het gebed ‘De heiligen jonkvrouwe Maria voorspanne of sapeelken’ waarin de deugden en goedheid van Maria worden verbeeld als de juwelen van een voorspan (mantelspeld). ‘Dit soort bijzondere gebeden met uitgewerkte beeldspraak komen in dit boek heel veel voor. Het zijn literair complexe teksten, soms grenzend aan mystiek.’ Er zijn meer vrouwenkloosters, vooral in het zuidoosten van Nederland, waarin vaak dit soort teksten voorkomen. ‘Die zaten allemaal in een netwerk waarin klaarblijkelijk een grote creativiteit was in het schrijven van nieuwe gebeden en een sterke wens om meer dan alleen maar korte, formulaire teksten op te zeggen. Die zijn voor mij als literatuurhistoricus natuurlijk extra interessant.’ Het voorspan-gebed is extra interessant, omdat het een bewerking is van een gedicht van de dertiende-eeuwse Duitse dichter Konrad von Würzburg. ‘Er waren al twee andere handschriften bekend met dit gebed, dit is nu een derde. Dat alleen al maakt het heel bijzonder.’

Laboratorium

Wat naast de teksten opvalt, zijn de geschilderde initialen. Die zijn later ingeplakt. Dat soort knip- en plakwerk om een gebedenboek op te leuken gebeurde in de middeleeuwen wel vaker, zeker in vrouwenkloosters. Plaatjes knippen uit oude boeken die je niet meer gebruikt, was goedkoper dan zelf een miniaturist opdracht geven. Dat deden alleen de adellijke dames (en heren).

Maar in dit geval was er wel iets raars aan de hand, zag Oosterman. De plaatjes, duidelijk afkomstig uit een groot handschrift, waarschijnlijk een liturgieboek, zijn ongeveer even oud als de tekst. ‘Dat roept de vraag op wanneer ze zijn toegevoegd. Vaak gebeurde dat op het moment dat zo’n groot boek niet meer gebruikt werd.’ Zo zijn er na het concilie van Trente (1545-1563), toen de liturgie werd veranderd, ontzettend veel liturgische boeken in stukken geknipt en gerecycled, voor versteviging of dus opsiering van andere boeken. ‘Maar hier lijkt het erop dat een kostbaar boek dat net gemaakt is, in stukken is geknipt voor dit gebedenboekje. Dat is haast ondenkbaar.’ Mogelijk zijn de illustraties later toegevoegd en heeft Catharina ze dus nooit gezien. Of misschien was de opdrachtgever van de miniaturen overleden alvorens te betalen en heeft de verluchter ze los verkocht. Dat vraagt duidelijk nog om nader onderzoek. ‘En misschien zullen we het nooit zeker weten.’

Met de bevindingen van het onderzoek tot nu toe heeft het team van Radboud Erfgoed besloten het gebedenboek aan te kopen. Het is een aanwinst voor een van de speerpunten in de collectie, boeken uit vrouwenkloosters in Zuid-Oost Nederland, en kan de inzichten over boekgeschiedenis en het gebruik van boeken in kloosters verrijken. ‘Het is gouden materiaal voor een onderwijslaboratorium waarin studenten alle facetten van een middeleeuws handschrift kunnen ontdekken’, stelt Dols. En voor zijn Limburgse jaarboek Publications 2022 heeft hij alvast de eerste kopij geregeld: een artikel van Oosterman over deze nieuwe vondst uit klooster Maagdendries en hoe die past in de grotere groep handschriften in Zuid- en Oost-Nederland.

De devotie van Maagdendries

Klooster Maagdendries, ook wel klooster van Sint-Andries en Barbara genoemd, heeft zijn oorsprong in een groep begijnen (religieuze vrouwen die niet de kloostergelofte hebben afgelegd) die in 1200 buiten de wallen van Maastricht een woning en kapel lieten bouwen. In 1439 werd het een franciscanessenklooster, vallend onder het kapittel van Sint-Servaas.
Het klooster had een contemplatieve inslag; de zusters van Maagdendries lieten zich inspireren door de Moderne Devotie, een spirituele beweging waarin teksten (in de eigen taal en niet het Latijn) en mystiek een belangrijke plaats innemen. De zusters vervaardigden zelf (gebeden)boeken en hun klooster is voor de schriftcultuur belangrijk geweest.

Na de opheffing in 1796 is de kloostercollectie verspreid geraakt. Ons gebedenboek is gaan rondzwerven, kwam in 1827 in het bezit van ene graaf Alexander Keller en belandde na diens dood op de particuliere markt. Totdat het eind 2020 een thuis vond in de collectie van de Radboud Universiteit. Voor zover nu bekend zijn er zeker vijftien handschriften uit Maagdendries bewaard gebleven. Er zijn onder meer exemplaren in de universiteitscollecties van Brussel, Leuven, Leiden en Amsterdam (UvA) en in de collecties van de Koninklijke Bibliotheek, de British Library, het Catharijneconvent en het Bonnefantenmuseum Maastricht. Daar kan nu het door Radboud Erfgoed aangekochte gebedenboek aan toegevoegd worden.

Meer weten?