Radboud Universiteit
Zoek in de site...

Op zoek naar de katholieke universiteit. De contacten van Piet Aalberse met Nijmegen

Datum bericht: 1 mei 2020

Het archief-Aalberse ligt opgeslagen bij het Nijmeegse Katholiek Documentatie Centrum (KDC). Vanwege het enorme en wijdvertakte netwerk dat politicus Piet Aalberse (1871-1948) gedurende zijn leven heeft opgebouwd en onderhouden, vormt dit archief een rijke bron van kennis over verschillende aspecten van de Nederlandse geschiedenis, vaak maar niet uitsluitend op religieus terrein.

Door Ramses Peters

Piet Aalberse is een van de sleutelfiguren binnen de sociale en politieke emancipatie van katholieken in Nederland in het eerste kwart van de twintigste eeuw. Zijn archief is dan ook een van de kerncollecties van het Katholiek Documentatie Centrum. Onderdeel van die emancipatie vormde de oprichting van de Radboud Universiteit in 1923, bijna honderd jaar geleden. Herbergen zijn dossiers ook materiaal met betrekking tot dit kroonjuweel van katholiek Nederland?

In het interview met achterkleinkinderen Suzanne Aalberse en Klaas Landsman wordt met enige verbazing geconstateerd dat Aalberse in zijn dagboeken niets schrijft over de oprichting van de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen. Dat is niet helemaal waar: op 20 september 1923 wordt de aanstaande plechtige opening van de instelling genoemd, waar hij vanwege een vakantie in Brussel niet bij zal zijn. Maar meer is er over de oprichting in de dagboeken niet te vinden. En dat is inderdaad opvallend. De rubricering van het archief van Aalberse geeft een beeld van alle maatschappelijke sectoren waar hij bij betrokken is geweest. Een indrukwekkend overzicht, waarin ook het hoger onderwijs goed vertegenwoordigd is. Aalberse was onder andere samen met de latere premier Charles Ruijs de Beerenbrouck de oprichter van de Leidse katholieke studentenvereniging Augustinus, hoogleraar in Delft en betrokken bij de R.K. Leergangen te Den Bosch en de Handelshoogeschool in Tilburg, nu Tilburg University. Daarnaast was hij lid van de Vereeniging tot het Bevorderen van de Beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in Nederland.

Aalberses lidmaatschap van deze vereniging, kortweg de Katholieke Wetenschappelijke genoemd, kan een verklaring zijn voor zijn geringe betrokkenheid bij de stichting van de universiteit. De meeste leden van Katholieke Wetenschappelijke waren geen directe voorstander van een exclusief op katholieke leest geschoeid instituut, omdat dit isolationisme in de hand zou werken. Eerder streefden zij naar de integratie van katholieken binnen bestaande universiteiten en naar de instelling van katholieke leerstoelen aan deze instituten.

Advies van Aalberse

Heeft er dan geen enkele band tussen de Leidse Aalberse en de Nijmeegse universiteit bestaan? Dat lijkt onmogelijk en wat grondiger archiefonderzoek bevestigt dat ook. Aalberse kende Jos. Schrijnen, de eerste rector magnificus in de Waalstad, vanuit zijn netwerk. We zien dan ook dat Schrijnen zo af en toe een beroep doet op Aalberse. Inventarisnummer 1441 geeft hiervan blijk. Op 18 september 1920 vraagt Schrijnen Aalberse om advies bij het opstellen van het Academisch Statuut van de op te richten universiteit. Er is onenigheid over de inrichting van het onderwijs op de medische faculteit. Moet men na het kandidaats al gaan splitsen in studierichtingen of niet? Blijkbaar is Schrijnen er dan nog van overtuigd dat de universiteit bij de oprichting een medische faculteit zal hebben. Deze kwam er wel, maar pas 13 jaar na zijn dood, in 1951. Drie jaar later, in april 1923, volgt er nog een verzoek, omdat het de rechtenfaculteit niet lukt om een hoogleraar burgerlijk recht aan te trekken: of Aalberse zijn invloed wil uitoefenen om een geschikte kandidaat te leveren.

Jos SchrijnenJos Schrijnen, de eerste rector magnificus van de Katholieke Universiteit Nijmegen, jaartal en maker onbekend. Collectie afbeeldingen klein formaat, KDC: AFBK-2A8741

Leerstoel voor de journalistiek

Een ander teken van Aalberses bemoeienis met de universiteit is te vinden in inventarisnummer 1027: Stukken betreffende het instellen van een bijzondere leerstoel in de journalistieke wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en een daarmee verbonden instituut voor praktische journalistiek (1928-1930). Directeur Henri Kuijpers van het katholieke dagblad De Maasbode levert een plan én de financiering voor een bijzondere leerstoel voor de journalistiek aan de letterenfaculteit van wat dan de Keizer Kareluniversiteit genoemd wordt. De bisschoppen, Schrijnen en de Radboudstichting zijn voor het plan en ook Aalberse wendt zijn invloed aan om de leerstoel ingesteld te krijgen. Een grote meerderheid van de Nijmeegse hoogleraren heeft echter principiële bezwaren tegen het idee van een bijzondere leerstoel, waardoor het project van Kuijpers geen doorgang kan vinden.

Zo lijkt Aalberses betrokkenheid bij Nijmegen toch te bestaan uit een reeks van min of meer willekeurige verzoeken om bemiddeling die alle op niets uitlopen. Gelukkig kan, zijn archief digitaal doorbladerend, ook dit beeld genuanceerd worden. Aalberse was met enige regelmaat te vinden in Nijmegen; voor de sociale verplichtingen als vieringen van lustra van de universiteit, maar ook het geven van lezingen en ironisch genoeg voor bijeenkomsten van de Katholieke Wetenschappelijke. En in zijn tiende dagboek horen we voor het eerst Aalberse zelf reppen over zijn inmenging. In juli 1939 overtuigt hij de president-curator van de universiteit, Jos van Schaik, om Carel Goseling, die dan nog net minister van justitie is, te bewegen afstand van de politiek te nemen en een jaar lang burgerlijk recht te doceren in Nijmegen. Ook dat liep door de oorlog anders, maar dat is een ander (dramatisch) verhaal.

Aalberse met oa Carel GoselingAalberse (eerste van links) met onder andere Carel Goseling (derde van links). Collectie Afbeeldingen Klein Formaat, KDC, AFBK-2A9380

De laatste keer dat Nijmegen in zijn dagboeken voorkomt is op 7 augustus 1946, twee jaar voor zijn dood.

Op 1 augustus zijn we verhuisd naar Eykenburg, onze toekomstige en naar we hopen onze laatste aardsche woning. (..)’ In de vijf boekenkasten die ik hier kon plaatsen, kan slechts een betrekkelijk klein deel van mijn bibliotheek worden opgenomen. Al het overige ben ik van plan om aan de R.K. Universiteitsbibliotheek te Nijmegen te schenken. (..) Ook ’t archief van Nolens gaat daarheen. Mijn eigen archief wil ik nog hier houden, al weet ik nog niet hoe ’t hier te bergen.

Aalberse over archief 1946Passage van 7 augustus 1946, waarin Aalberse mijmert over zijn eigen archief. Archief P.J.M. Aalberse. Inventarisnummer 10, dagboeken, deel XI

De band tussen Aalberse en het Nijmeegse is nooit innig geweest, maar in het katholieke Nederland van de eerste helft van de twintigste eeuw waren voor iemand van zijn statuur contacten met de universiteit nagenoeg onvermijdelijk, en zo was het ook nagenoeg onvermijdelijk dat het archief van iemand van zijn statuur ooit in Nijmegen zou eindigen.

Referenties:
Katholiek Documentatie Centrum. Archief P.J.M. Aalberse.
Jan Brabers, Proeven van eigen cultuur. Vijfenzeventig jaar Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1998. Deel I 1923-1960 (Nijmegen, 1998).
Dagboeken van P.J.M. Aalberse 1891-1948. Uitgegeven door J.P. de Valk en A.C.M. Kappelhof. http://resources.huygens.knaw.nl/dagboekenaalberse.

Meer lezen?