Aanleiding
De onderwijsvisie van de Radboud Universiteit zet in op persoonlijk onderwijs op de campus, omdat persoonlijke interactie onmisbaar is in het onderwijs. Onderzoek laat zien dat aanwezigheid bij onderwijsbijeenkomsten bijdraagt aan het leren en het studiesucces van studenten. Sinds de opkomst van generatieve AI is persoonlijk contact in het onderwijs bovendien nog belangrijker geworden. Tegelijkertijd blijven collegezalen, zowel landelijk als binnen de Faculteit der Sociale Wetenschappen, regelmatig leeg. Hoe zorgen we ervoor dat studenten daadwerkelijk aanwezig zijn bij het onderwijs?
Hypothese
Dit onderzoek brengt in kaart welke factoren bijdragen aan een hoge studentopkomst bij werkgroeponderwijs binnen de opleiding Artificial Intelligence. Daarbij wordt gekeken naar beleid, didactiek, organisatie en sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan een vorm van aanwezigheidsplicht, het onderwijsontwerp, de rol van docenten, roostering en de beschikbaarheid van betaalbare huisvesting in de omgeving van de universiteit.
Gewenst oplossing
Miranda onderzoekt welke factoren samenhangen met de opkomst bij werkgroeponderwijs. Op basis van de resultaten ontwikkelt zij concrete handvatten voor de opleiding AI om de aanwezigheid van studenten verder te vergroten. Daarnaast levert het onderzoek een praktische methode op die andere opleidingen kunnen gebruiken om de opkomst bij werkgroeponderwijs systematisch te analyseren en te verbeteren. Zo krijgen opleidingen beter zicht op de factoren die de aanwezigheid van studenten beïnvloeden en op wat zij daar zelf in kunnen veranderen.
Plan van aanpak
Het onderzoek bestaat uit twee delen. In het eerste deel brengt Miranda voor één semester alle cursussen met werkgroeponderwijs uit de eerste twee bachelorjaren van de opleiding AI in kaart. Daarbij bekijkt ze de opkomst van studenten, factoren die daarmee kunnen samenhangen en patronen die daarin zichtbaar zijn. In het tweede deel wordt ingezoomd op een aantal cursussen met een relatief hoge of lage opkomst. Hiervoor worden onderwijsmaterialen geanalyseerd en gesprekken gevoerd met docenten en studenten. Zo wordt onderzocht welke factoren de aanwezigheid bij werkgroepen beïnvloeden en hoe deze in de praktijk doorwerken. Bij de analyse worden inzichten uit eerder onderzoek gebruikt, met ruimte voor aanvullende verklaringen die uit de casussen zelf naar voren komen.