Zoek in de site...

Paragraaf 2: Instellen begeleidingsteam en vaststellen OBP

Artikel 3.9. Instellen begeleidingsteam

  1. Zo spoedig mogelijk na inschrijving doch uiterlijk binnen drie maanden stelt de promotor ten behoeve van de begeleiding van de promovendus een begeleidingsteam samen.
  2. Bij het samenstellen van het begeleidingsteam neemt de promotor het navolgende in acht:
    a. het begeleidingsteam bestaat uit minimaal twee en maximaal vier personen, waaronder de promotor;
    b. minimaal twee personen in het begeleidingsteam zijn gepromoveerd deskundige;
    c. ten minste één lid van het begeleidingsteam is als wetenschapper of anderszins als werknemer verbonden aan de Radboud Universiteit;
    d. indien de promotor niet verbonden is aan de Radboud Universiteit, wordt altijd een tweede promotor aangewezen die wel verbonden is aan de universiteit, tenzij de voorzitter van het college voor promoties desgevraagd heeft geoordeeld dat het aanwijzen van deze tweede promotor niet noodzakelijk is;
    e. personen die in een zodanige relatie staan tot de promovendus dat van hen in redelijkheid geen begeleiding behoort te worden gevraagd kunnen geen lid zijn van het begeleidingsteam.
  3. Is een lid van het begeleidingsteam een hoogleraar of een gepromoveerd deskundige met het ius promovendi, dan vervult hij of zij in het begeleidingsteam de rol van promotor. Is een lid van het begeleidingsteam een gepromoveerd deskundige zonder het ius promovendi, dan vervult hij of zij de rol van copromotor. Is een lid van het begeleidingsteam geen gepromoveerd deskundige, dan vervult hij of zij de rol van (dagelijks) begeleider.
  4. Indien de samenstelling van het begeleidingsteam na het instellen wijzigt, wordt deze wijziging onder opgave van reden vastgelegd in het OBP.

Artikel 3.10. Vaststellen opleidings- en begeleidingsplan (OBP)

  1. Zo spoedig mogelijk na de inschrijving in het promotietraject doch uiterlijk binnen drie maanden, stellen de promovendus en de promotor gezamenlijk een OBP vast.
  2. Het OBP bevat de afspraken tussen de promovendus en de promotor met betrekking tot de opleiding en de begeleiding gedurende het promotietraject.
  3. Onverminderd het dienaangaande bepaalde in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst (CAO), zijn in het OBP ten minste vastgelegd
    a. de duur van de fase van het wetenschappelijk onderzoek en het vervaardigen van het manuscript als bedoeld in paragraaf 3;
    b. de samenstelling van het begeleidingsteam;
    c. eventuele verplichtingen van de promovendus die als voorwaarde gelden voor verdere inschrijving in het promotietraject.
  4. De decaan kan in aanvulling op het bepaalde in lid 3 per graduate school nadere regels opstellen met betrekking tot de inhoud van het OBP. Bij het opstellen van die regels neemt de decaan de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) in acht.
  5. Het OBP kan door de promovendus en de promotor gezamenlijk worden gewijzigd.
  6. Het OBP, en eventuele wijzigingen daarvan, behoeft de goedkeuring van een daartoe door de decaan aangewezen personeelslid van de graduate school en wordt, na goedkeuring, aldaar bewaard.