Zoek in de site...

Cognitie: wat doen je hersenen als je niks doet?

Stel je voor: je zit in een drukke bar te wachten op je Spaanse blind date.

Terwijl je ogenschijnlijk wat verveeld op je barkruk zit en een cola drinkt, spelen er zich allerlei ingewikkelde processen af in je lichaam. Alleen al het rechtop op een barkruk zitten, vraagt een verfijnd staaltje van regeltechniek. Je moet immers continu je evenwicht bewaren en daarvoor dienen alle spieren de juiste spanning te hebben. Kijk je naar je voet dan merk je dat die meetikt met de beat van de muziek. Zonder moeite, en zonder dat je er bewust van bent, pak je de beat van een nieuw nummer op, zelfs als het een moeilijk ritme is. Je ogen staan ook niet stil, maar zoeken in de bar naar dat rode t-shirt dat je date zou aantrekken. Je vindt de poster achter de bar mooi. Op je netvlies schieten de beelden snel heen en weer, maar desondanks heb je toch een heel stabiele indruk van de ruimte. Dan nog maar wat drinken. Schijnbaar probleemloos pak je het glas en breng je het naar je mond. Schijnbaar, want deze handeling vereist een nauwkeurige beweging van je arm, hand en vingers, en een precieze dosering van de krachten die je met vingers en duim op het glas uitoefent. Als je denkt aan een vorige date toen je erg gestresst was en je de helft van je cola morste, begrijp je beter wat oog-hand coör­dinatie allemaal voor je doet. Terwijl je al wachtend luistert naar het gesprek naast je, heb je niet eens in de gaten dat de ruimte zo vol ander geluid is. Je kunt het gesprek vrij eenvoudig volgen omdat je weet waarover het gaat en de storende geluiden lijken er helemaal niet te zijn. Het valt je ook niet op hoe ongrammaticaal veel spreektaal is. Eindelijk zie je iemand binnenkomen in een rood t-shirt. Je hart slaat over, en stot­terend stamel je de geoefende eerste zin.

Was je cognitief psycholoog, dan was 't minder saai, omdat er allerlei interessante mentale processen in je hersenen en lichaam gaande waren. Het zijn inderdaad juist die fundamentele mentale processen waar je snel overheen kijkt die het onderwerp vormen van de Cognitieve Psychologie. Deze functies maken allerlei vormen van complex gedrag mogelijk. Om inzicht te krijgen in hun werking gebruik je vooral de experimentele methode. Als cognitief psycholoog bouw je in het laboratorium heel precies een situatie na waar een proefpersoon een bepaalde taak uitvoert: het reiken naar een voorwerp, kijken naar plaatjes, meetikken met de beat, etc. De uitdaging is om de experimenten zo op te zetten dat je precieze antwoorden kunt krijgen op vragen over de verschillende processen in onze hersenen en lichaam.

Interessante vragen

  • Wat voor processen moeten geregeld worden in je hersenen zonder dat je je bewust bent dat je eigenlijk hard aan het werk bent? (Gaat het altijd goed met dergelijke automatismen? Op welke momenten word je je wel bewust van die processen? Hoe zou je dit kunnen gebruiken in een experiment? Hoe zou je een experiment opzetten?)
  • Wat voor een ervaring is het als je automatische systeem plotseling 'ontregeld' wordt? (Kan je daar plezierige en onprettige voorbeelden van verzinnen? Ken je 'illusies' waarbij een waarnemingsproces stelselmatig een fout maakt? Hoe zou je zo'n effect aantonen?)
  • Zijn er automatische processen die lopen via zenuwen maar niet in je hersenen worden geregeld? (Waaraan zou je die herkennen? Kan je die bewust beheersen?)
  • Wanneer moet je iets in je hersenen 'bewaren'. Is het opslaan van iets in je geheugen een automatisme? (Wanneer werkt dat niet meer? Is er een limiet aan wat je je kan herinneren? Hoe zou je dat onderzoeken?)
  • Denk je dat al deze functies aangeboren of aangeleerd zijn? (Waarom? Hoe zijn ze ontstaan? Waarom zouden ze automatisch zijn? Kan je dezelfde taken ook bewust en met aandacht uitvoeren? Hoe kan je taken die je bewust uit kan voeren automatisch maken?)
  • Hoeveel taken kan je echt tegelijk uitvoeren? Waar hangt dat van af?

Motoriek

  • Waarom is het zo belangrijk dat je de bewegingen van de arm, hand en romp precies op elkaar afstemt bij het grijpen van een glas, coördineert? Wat gebeurt er met die coördinatie wanneer je je schouder maar beperkt kan bewegen door spierpijn?
  • Hoe verandert de coördinatie als je glas ver weg staat, en wat is de rol van de romp hierbij?
  • Stel dat het glas leeg is, en omgekeerd op de bar staat: hoe zou je deze dan oppakken? Doe je dat anders als je het daarna vol moet schenken?
  • Is het makkelijker om een groot of een klein glas te pakken en waar kun je dat aan zien? Waarom is het belangrijk dat je de kracht die je met de vingers op het glas uitoefent niet te groot wordt? Wat zou er gebeuren met de krachten als het glas (a) gladder is dan je had verwacht, (b) zwaarder is dan je had verwacht?
  • Als iemand ten gevolg van een hersenaandoening zijn/haar armen niet goed kan bewegen en spastisch is: welke gebreken zouden kunnen optreden bij de hierboven beschreven vragen?

Taal

  • Hoe ben je in staat om in het lawaaierige cafe je Engels-sprekende Spaanse blind date goed te begrijpen? Hoe combineer je op zo'n moment de informatie van de gesproken taal met liplezen en gebaren?
  • Hoe kun je binnen een derde seconde het juiste woord vinden in een geestelijke woordenschat van 50.000 woorden of meer?
  • En waarom stotter je het ene moment en ben je de welsprekendheid zelve op een ander moment? Hoe komt dat stotteren eigenlijk tot stand?
  • Welke processen zijn betrokken bij het spreken van een vreemde taal? Waarom is het zo moeilijk je in een vreemde taal uit te drukken wat betreft uitspraak, woordvolgorde en betekenisnuances? Heb je een aparte "file" in je hoofd voor een vreemde taal? Levert het lezen dezelfde problemen op als het luisteren?
  • Gebeurt het herinneren van woorden en telefoonnummers op dezelfde manier?
  • En welke gebaren en uitdrukkingen moet je in het Spaans vermijden omdat ze wat anders betekenen dan in het Nederlands?

Visuele waarneming

  • Hoe herkennen we voorwerpen en gezichten? Kijk eens om je heen. Neem een kopje dat op de bar staat. Je ziet zo'n kopje bijna nooit op precies dezelfde manier, maar steeds weer vanuit een andere gezichthoek. Misschien staat het wel gedeeltelijk achter een boek of weer een ander kopje. Toch ondervinden we daar allemaal weinig hinder van. We herkennen het voorwerp vrijwel meteen. Ook het gezicht van een vriend of bekende herkennen we meestal onmiddellijk.
  • Welke hersendelen zijn bij zo'n razendsnelle herkenning betrokken? Wat gaat er mis als we iets niet opmerken? Je hebt vast wel eens iets gezocht dat uiteindelijk vlak voor je neus bleek te liggen.
  • Wanneer vinden we een plaatje mooi? Waarom zijn sommige gezichten aantrekkelijk en andere weer niet?
  • Hoe komt het eigenlijk dat we diepte kunnen zien? Wat is de functie van kleur?
  • Hoe werken visuele illusies? Je weet vast wel dat we voortdurend onze ogen bewegen, toch lijkt het beeld niet te bewegen. Hoe kan dat?

Muziek waarneming

  • Welke regelmaten pak je gemakkelijk op als je naar muziek luistert? Hebben alle soorten muziek dat?
  • Hoort iedereen de beat hetzelfde?
  • Hoe zou je tempo waarnemen? Bestaat er muziek met weinig noten per minuut, maar een hoog tempo?
  • Zit op de plek van beat altijd een noot? Wat gebeurt er als er geen zit? Kan je op het moment dat je een noot hoort je voet laten neerkomen, of moet je van te voren wat doen? Hoe lang van te voren? Zou verwachting, wat er gaat komen belangrijk zijn?
  • Hoe kan je toch meetikken met muziek die je nooit gehoord hebt?
  • Denk je dat muziekwaarneming iets met taal te maken heeft? Waarom?
  • Denk je dat de ervaring van het luisteren naar muziek iets met beweging te maken heeft? Hoe?
  • Waarom zou in de evolutie het vermogen om muziek te maken ontstaan zijn?
  • Wat gebeurt er als je als musicus een stuk instudeert en goed leert kennen?

Literatuur

  • Steenbergen, B., Hulstijn, W., & E. Van Thiel (1999). Reiken en grijpen bij spastici: Wat kunnen we bereiken als we het begrijpen? Nederlands Tijdschrift voor Ergotherapie, 27, 30-40.
  • Steenbergen, B. (2005). Onhandigheid verklaard. Nederlands Tijdschrift voor Ergotherapie, 33(1), 6-9.
  • Evers, F. M. Jansma, P. Mak en B de Vries (1995) Muziekpsychologie. Assen: Van Gorkum. ISBN 90 232 2879 0 Hoofdstuk 14 en 15.
  • Dijkstra, A. & Kempen, G. (1993). Taalpsychologie. Groningen: Wolters-Noordhoff. ISBN 90 01 26796 3.
  • Dijkstra, A., van Heuven, W., & Timmermans, M. (1996). "Schindler's list" en "valse lente": bilinguale woordherkenning en tussen-taalgelijkenis. Gramma / TTT, 5 (1), 41-59.

Links

Deze handreiking voor een profielwerkstuk is gemaakt door de Faculteit der Sociale Wetenschappen.