De eerste publicaties over neurodiversiteit beschreven het ‘neurologisch anders zijn’ van mensen met een autisme spectrum stoornis (ASS) ten opzichte van ‘neurologisch typischen’ (Blume, 1998; Singer, 1998). Later werd de term gebruikt voor de totale verscheidenheid aan hersenfuncties en gedrag als normale variëteit van de mensheid (Fung & Doyle, 2021). Judy Singer, die gezien wordt als de bedenker van de term neurodiversiteit, zei in een interview met The Guardian dat ze goed wist wat ze deed: een sociale en politieke beweging initiëren voor die variëteit van de mensheid, waarmee individuen op konden komen voor hun rechten als mens (Harris, 2023). Daarin lijkt ze ook geslaagd, afgaande op publicaties naar aanleiding van de neurodiversiteitsbeweging (o.a. Kapp, 2020).
Die variatie binnen de mensheid wordt in de literatuur verdeeld in neurodivergente en neurotypische mensen. In zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke publicaties worden neurodivergente mensen omschreven als mensen wiens brein anders werkt dan normaal of ‘neurotypisch’ is volgens de standaard van de maatschappij (Koolhof & Pietersma, 2026; Millin et al., 2025). In wetenschappelijk onderzoek worden neurodivergente participanten doorgaans geselecteerd op basis van een DSM-classificatie (zie o.a., Davies et al., 2023; Horlin et al., 2024; Kakoulidou et al., 2024). Hoewel geen DSM-classificatie, wordt hoogbegaafdheid hier in populaire kanalen ook steeds vaker aan gekoppeld als een van de “natuurlijke variaties in de menselijke ontwikkeling en ervaringen” (Van Os, 2024). Toch is niet iedereen in die kanalen het daarmee eens. Nauta (2025) geeft bijvoorbeeld als tegenargument dat hoogbegaafdheid uit het cognitief-psychologisch paradigma voortkomt met (hoge) intelligentie als thema, terwijl neurodiversiteit en neurodivergentie door DSM-classificaties eerder in het medisch-psychiatrisch paradigma passen. Ook Sypré (2025) stelt dat de term neurodivergentie (onbedoeld) kan leiden tot misverstanden, polarisatie en medicalisering, omdat hoogbegaafdheid zo onterecht in een diagnostisch kader wordt geplaatst. Dit lijken terechte zorgen, omdat het veld van hoogbegaafdheid al onderhevig is aan veel verschillende visies, een gebrek aan eenduidige definiëring, en paradigmaverschuivingen die over de decennia heen hebben plaatsgevonden (Carman, 2013; Dai & Chen, 2013, 2014; Lo & Porath, 2017; Lo et al., 2019; Worrell et al., 2019; Worrell et al., 2021).
Het huidige artikel betreft een conceptueel beschouwend essay met een gerichte literatuurverkenning. Het beoogt de begrippen hoogbegaafdheid, neurodiversiteit, neurodivergent en neurotypisch ten opzichte van elkaar te conceptualiseren vanuit (sociaal)wetenschappelijke literatuur. Met deze beschouwende analyse kunnen professionals in de praktijk inzicht krijgen in hoe hoogbegaafdheid geplaatst kan worden binnen het kader van neurodiversiteit en reflecteren op wat dit mogelijkerwijs voor hun eigen kijk op hoogbegaafdheid betekent. Dit conceptuele essay is geen uitgebreide systematische literatuurstudie, maar neemt wel een wetenschappelijk perspectief als uitgangspunt. Ervaringsverhalen, klinische casuïstiek en populaire theorieën worden hiertoe bewust buiten beschouwing gelaten.
Wetenschappelijk kader hoogbegaafdheid en neurodiversiteit
Via PsycInfo, PubMed en ERIC is er gezocht naar bronnen waarin zowel hoogbegaafdheid als neurodiversiteit en/of neurodivergentie werden genoemd. Dit zijn online databases waarmee wetenschappelijke publicaties kunnen worden gezocht. Via PsycInfo werden 26 bronnen gevonden, via PubMed 14 en via ERIC 8. Na verwijdering van dubbelen bleven in totaal 42 unieke bronnen over. Echter, deze waren niet allemaal ‘peer reviewed’. Dat wil zeggen: ze waren niet allemaal kritisch onder de loep genomen door andere onafhankelijke onderzoekers voor ze werden gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. Toen de zoekstrategie werd beperkt tot peer reviewed artikelen bleven er 17 bronnen over (zie Tabel 1).
Eén van de bronnen betreft het commentaar van Brown en Fisher (2023) op het betoog van LeFevre-Levy et al. (2023), waarin gepleit wordt voor aandacht voor neurodiversiteit op de werkvloer. Hoewel het betoog van LeFevre-Levy et al. niet voorkwam in de zoekresultaten van PsycInfo, PubMed en ERIC, verscheen deze publicatie tezamen met het commentaar van Brown en Fisher in hetzelfde nummer van het tijdschrift Industrial and Organizational Psychology. Om die reden is ook het betoog van LeFevre-Levy et al. bekeken in het huidige conceptuele essay (zie Tabel 2).
Uit het overzicht dat ontstaat op basis van Tabellen 1 en 2 blijkt dat in de meeste publicaties van empirische onderzoeken de Engelstalige term ‘gifted’ (‘hoogbegaafd’) met name wordt gebruikt in de context van uitzonderlijke prestaties of talent binnen een bepaald domein, bijvoorbeeld: een gave hebben voor esthetiek in muziek (Masataka, 2017b). Er bleken drie onderzoeken te zijn die participanten met kenmerken van hoogbegaafdheid werkelijk als aparte neurodivergente steekproef namen (i.e., Pasarín-Lavín et al., 2024; Van Rijswijk & Curșeu, 2025, 2026). Pasarín-Lavín et al. (2024) benoemden dat leerlingen met kenmerken van hoogbegaafdheid in het algemeen worden gezien als een groep zonder beperkingen, maar dat studies hebben aangetoond dat er bij hen wel sprake kan zijn van onder andere onderpresteren en motivatieproblemen. Zodoende kunnen deze leerlingen volgens Pasarín-Lavín et al. gezien worden als neurodivergente leerlingen. Van Rijswijk en Curșeu (2025, 2026) noemden in twee studies mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid expliciet als voorbeeld van een categorie neurodivergente mensen. In de ene studie gaven ze aan dat prikkels uit de omgeving de informatieverwerking van mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid kunnen belemmeren, doordat zij een verhoogde gevoeligheid hebben (Rijswijk & Curșeu, 2025). In de andere studie stelden zij dat neurodivergente werknemers belemmeringen op het werk kunnen ervaren die hun welbevinden negatief kunnen beïnvloeden (Rijswijk & Curșeu, 2026).
Het beperkte empirische onderzoek hierboven suggereert dat mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid als neurodivergente steekproef worden geclassificeerd op basis van mogelijk aanwezige beperkingen. Dat is opvallend, omdat de neurodiversiteitsbeweging juist als doel heeft om de variëteit van mensen als normaal te bezien vanuit mogelijkheden, talenten en kwaliteiten in plaats vanuit enkel onmogelijkheden, tekorten en beperkingen (Koolhof & Pietersma, 2026; Masataka, 2017a; Singer, 1998). Daarnaast wordt hoogbegaafdheid in zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke publicaties in de regel niet omschreven als een beperking of stoornis op zichzelf (Rinn, 2018). Er lijkt daardoor een discrepantie te zijn tussen de grondbeginselen van neurodiversiteit en de daaronder liggende verdeling in neurodivergente en neurotypische mensen enerzijds, en tussen die verdeling en de recente ontwikkelingen in het veld van hoogbegaafdheid anderzijds.
Grondbeginselen neurodiversiteit, neurodivergente en neurotypische mensen
Neurodiversiteit vertoont in zijn aard parallellen met het concept biodiversiteit (Tarragnat, 2025). Zoals neurodiversiteit de totale variatie aan hersenfuncties en gedragingen van de mens betreft, gaat biodiversiteit over de totale verscheidenheid van het leven op aarde. Deze verscheidenheid wordt doorgaans weergegeven in een taxonomie met een verdeling in verschillende levensrijken (Díaz & Malhi, 2022). Hoewel er volgens Díaz en Malhi (2022) verschillende werkdefinities gehanteerd kunnen worden om biodiversiteit te bestuderen, blijkt in de essentie wel dat diversiteit het uitgangspunt is. De taxonomische onderverdeling gaat uit van verschillen als normaal, zonder dat daarbij een norm wordt gesteld. Dat lijkt ook het fundament bij neurodiversiteit: de totale variëteit van hersenfuncties en gedrag als normaal voor de mens (Fung & Doyle, 2021). Of zoals Koolhof en Pietersma (2026) stellen: “ieder brein is anders en dat maakt ons menselijk” (p. 23). Echter, de verdeling in neurodivergente en neurotypische mensen lijkt daar haaks op te staan, doordat daarbij een norm wordt gesteld (i.e., neurotypisch) waar mensen al dan niet van af kunnen wijken (i.e., neurodivergent). Neurotypisch staat daarmee volgens Grant et al. (2025) voor de mensen die op een bepaalde manier functioneren binnen de verwachte dominante norm (ofwel: ‘de meeste mensen’). Neurodivergent staat voor functioneren anders dan die dominante norm. Volgens Doyle (2020) is 15% tot 20% een redelijke schatting van het aantal neurodivergente mensen binnen de populatie. Deze verdeling lijkt niet als zodanig te worden gemaakt in onderzoek naar biodiversiteit. Sterker nog, als wordt gezocht op “biodivergent” geven PsycInfo en ERIC geen resultaten. PubMed geeft één resultaat, waarbij het woord één keer in het artikel voorkomt (Schwartz & Glascoe, 2025). En Google vraagt of er eigenlijk “neurodivergent” wordt bedoeld. Bovendien is het de vraag welke organismen als ‘biotypisch’ en welke als ‘biodivergent’ moeten worden gezien; welk organisme staat voor de dominante norm van het leven en welke organismen zijn afwijkingen van die dominante norm?
Het bovenstaande suggereert dat neurodiversiteit – net als biodiversiteit – alle verschillen als norm neemt. De onderverdeling in neurodivergente en neurotypische mensen neemt echter een (neurotypische) norm waarbij de verschillen als (neurodivergente) afwijkingen van die norm worden gezien. Dat lijkt op een vorm van labelen die niet meer aansluit bij recente ontwikkelingen op het gebied van hoogbegaafdheid.
Recente ontwikkelingen hoogbegaafdheid
Het veld van hoogbegaafdheid heeft verschillende ontwikkelingen doorgemaakt, waardoor onderzoekers verschillende werkdefinities zijn gaan hanteren (Carman, 2013). Ondanks een gebrek aan consensus, zijn er ook trends in de ontwikkeling van hoogbegaafdheid als concept zichtbaar. Uit de studies van Dai en Chen (2013) en van Lo en Porath (2017) blijkt dat er verschillende paradigmaverschuivingen te identificeren zijn. Deze worden in hun publicaties anders benoemd en beschreven, maar in de kern laten zij een verschuiving zien van een kijk op hoogbegaafdheid als vaste en meetbare staat van zijn naar een dynamisch en ontwikkelbaar potentieel (zie Tabel 3). De meest recente paradigma’s hebben daarmee betrekking op het signaleren van individuele talenten en behoeften in plaats van het signaleren – en labelen – van een individu als hoogbegaafd (Dai, 2018; Dai & Chen, 2013, 2014; Lo & Porath, 2017; Lo et al., 2019; Worrell et al., 2019; Worrell et al., 2021). Daarbij wordt ook duidelijk dat er een omgeving nodig is die in die behoeften voorziet om hoogbegaafd potentieel ook daadwerkelijk tot ontwikkeling te kunnen laten komen. Lo en Porath (2017) en Lo et al. (2019) beschrijven hoe een focus op ontwikkelbare potentie meer rekening houdt met de mogelijkheden van de mens als geheel, dan een focus op sommigen die als ‘hoogbegaafd’ uit een test komen. Worrell et al. (2019) geven met verschillende voorbeelden uit de literatuur aan dat het richten op wie er mogelijk hoogbegaafd is (en wie niet) veel talent onzichtbaar en onontwikkeld laat blijven. Zij stellen dat dit met name geldt voor ondervertegenwoordigde groepen, zoals leerlingen uit minder bedeelde gezinnen of met een andere culturele achtergrond. Daarnaast pleiten wetenschappers die tevens werkzaam zijn in de onderwijspraktijk en/of de zorg voor signalering van talenten en behoeften waarbij het individu centraal staat (Bakx, 2019; Burger-Veltmeijer & Minnaert, 2023; Hoogeveen, 2022). Dat verdient volgens hen de voorkeur boven signalering van hoogbegaafdheid waarbij het label centraal staat. Bovendien wordt in zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke literatuur benadrukt dat mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid geen homogene groep beslaan en dat hoogbegaafdheid op meerdere manieren tot uiting kan komen (o.a. Hertzog et al., 2018; Koolhof & Pietersma, 2026; Peterson, 2009; Reis & Renzulli, 2009; Schrover, 2015; Slezáková et al., 2026).
Het bovenstaande impliceert dat er binnen het veld van hoogbegaafdheid uitgegaan wordt van een heterogene groep – ofwel diversiteit – en dat op individueel niveau moet worden gekeken welke variëteit aan kenmerken, talenten en behoeften van toepassing zijn. Daarmee lijkt de huidige kijk op hoogbegaafdheid meer gefocust op het individu en diens talenten en behoeften en hoe daarbij aan te sluiten, en minder op hoogbegaafdheid als label afgezet tegenover een niet-hoogbegaafde norm. Nota bene, het gaat hierbij om de vertaling van wetenschappelijke inzichten naar de (individuele) praktijk. Ondanks deze recente ontwikkelingen, kunnen onderzoekers er nog steeds voor kiezen hun participanten in te delen in een hoogbegaafde en een niet-hoogbegaafde groep (bijv. Abdulla Alabbasi et al., 2025; Ramos & Verschueren, 2024; Saß et al., 2025). Dat is niet per definitie een achterhaalde selectiemethode. Soms moet die selectie omwille van de onderzoeksdoeleinden zo gedaan worden, omdat het construct hoogbegaafdheid (net als veel andere psychologische constructen) niet te onderzoeken is buiten participanten om. Wat uniek is voor de hoogbegaafde groep kan soms alleen worden vastgesteld met een niet-hoogbegaafde vergelijkingsgroep.
Conclusie
Hoogbegaafdheid lijkt in het kader van neurodiversiteit nauwelijks empirisch onderzocht. Uit de beperkte onderzoeken waarbij hoogbegaafde participanten als neurodivergente steekproef werden genomen blijkt dat de onderbouwing hiervoor gestoeld was op mogelijke beperkingen of belemmeringen die deze groep kan hebben. Dat lijkt niet passend bij recente ontwikkelingen in het veld van hoogbegaafdheid en de grondbeginselen van neurodiversiteit.
Op basis van deze verkenning van de literatuur kan geconcludeerd worden dat het passend is om hoogbegaafdheid te zien als een vorm van neurodiversiteit. Beide concepten nemen tegenwoordig diversiteit als uitgangspunt om vanuit mogelijkheden, kwaliteiten en talenten op individueel niveau invulling te geven aan het leven. Deze benadering kan het veld van hoogbegaafdheid een stap vooruit helpen om individuele talenten en behoeften en de onderwijs- en/of werkomgeving beter bij elkaar aan te laten sluiten. De centrale vraag bij die benadering is: ‘Wat heeft dit individu, op dit moment, in deze situatie nodig?’ Daar is geen vergelijking met een norm voor nodig. Echter, mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid beschouwen als neurodivergent ten opzichte van een neurotypische norm lijkt niet de diversiteit, maar de afwijking van de norm centraal te stellen. De meest recente ontwikkelingen duiden op een verschuiving weg van een labelgeoriënteerde kijk op hoogbegaafdheid. Het classificeren van hoogbegaafdheid als neurodivergentie – en daarmee als afwijking van de norm in termen van beperkingen en tekorten – lijkt daarmee eerder een achteruitgang dan een vooruitgang van het veld.
Verklaring omtrent gebruik van generatieve AI
De auteur verklaart dat dit document geen tekst bevat die door AI is gegenereerd.
Ook bijdragen aan het ontdekken, herkennen en uitdagen van verborgen talent?
Bekijk onze opleidingen, samenwerkingsmogelijkheden en maatwerkprogramma's op het gebied van hoogbegaafdheid.
Leer- of ontwikkelvraag rondom hoogbegaafdheid?
Neem contact op voor een vrijblijvend persoonlijk gesprek of neem deel aan een van onze online informatiebijeenkomsten.