Kindertekeningen als signaleringsinstrument
Kindertekeningen, en in het bijzonder menstekeningen, worden al ruim een eeuw onderzocht. Binnen onderwijsonderzoek vooral in het kader van kunstonderwijs, verschillen in vaardigheden tussen kinderen die wel en geen kinderopvang hebben gehad, en tussen kinderen die openbaar en particulier onderwijs hebben gehad. Binnen psychologisch onderzoek zijn ze het meest uitgebreid onderzocht, vooral om na te gaan of menstekeningen iets kunnen zeggen over de cognitieve en de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Daarvoor zijn verschillende scoringssystemen ontwikkeld, waarmee tekeningen kunnen worden geanalyseerd. Onderzoekers zijn sterk verdeeld over de bruikbaarheid van deze scoringssystemen. Sommigen vinden het een heel goed instrument, omdat het maken van een tekening een ijsbreker kan zijn en gespreksstof kan geven. Andere onderzoekers stellen dat de scores die berekend worden niet valide zijn, wat inhoudt dat de tests niet meten wat ze zeggen te meten. Op het gebied van hoogbegaafdheid was er nog maar weinig onderzoek gedaan.
Sven is in 2023 gepromoveerd op onderzoek naar de bruikbaarheid van menstekeningen als screeningsinstrument bij hoogbegaafdheid. Uit de onderzoeken in zijn proefschrift bleek dat kinderen (4 en 5 jaar oud) die verrijkt onderwijs kregen vaker andere kenmerken tekenden dan kinderen die regulier onderwijs zonder aanpassingen kregen. Voor 4 en 5-jarigen verschilde het om welke kenmerken het ging, maar in het algemeen ging het om specifieke details die aanwezig waren (zoals irissen in de ogen) of onrealistische groottes (zoals hele kleine hoofden). Grappig genoeg hoefden deze kenmerken niet per se mooi getekend te zijn; juist kenmerken die een tekening mooi of realistisch maken bleken niet vaker of minder vaak voor te komen bij beide groepen kinderen.
Met het proefschrift is een bewijs geleverd dat menstekeningen als screeningsinstrument kunnen dienen voor kinderen die meer nodig hebben dan standaard op scholen geboden wordt. Maar op dit moment is het slechts een bewijs; voor een instrument dat ook werkelijk in de praktijk gebruikt kan worden is meer onderzoek nodig. Daarvoor doet Sven de komende jaren samen met dr. Astrid Menninga (Rijksuniversiteit Groningen) onderzoek. Hun eerste stappen zijn de onderzoeken die nu al zijn gedaan te repliceren bij grotere groepen kinderen. Daarmee kan worden onderzocht of de kenmerken die eerder zijn gevonden echt aanwijzingen kunnen zijn voor behoefte aan verrijkt onderwijs. Wil je meer informatie of als school deelnemen aan dit onderzoek? Neem dan contact op met Astrid Menninga (a.menninga [at] rug.nl (a[dot]menninga[at]rug[dot]nl)).
Wat hebben hoogbegaafdheid en een kwantumcomputer gemeen?
In veel bronnen, wetenschappelijk of niet, wordt erkend dat de behoeften en talenten van mensen met kenmerken van begaafdheid moeten worden gezien. Er zijn dan ook talloze publicaties waarin te lezen is hoe talenten en behoeften gesignaleerd kunnen worden en welke aanpassingen moeten worden gedaan om mensen zich optimaal te kunnen laten ontwikkelen. In de meeste gevallen gaat het in de literatuur echter niet om ‘multipotentialiteit’: het hebben van meerdere talenten. Toch lijkt multipotentialiteit wel relevant, omdat de beperkte literatuur die hierover gaat een paar mogelijke problemen aan het licht brengen in de vorm van keuzestress. Sommige ‘multipotentials’ vinden het moeilijk te kiezen tussen studies of carrières, omdat het kiezen voor het ene betekent dat er niet kan worden gekozen voor het andere. Er is niet altijd tijd om alle talenten na te streven. En als dat wel wordt geprobeerd, leidt dat vaak tot fysieke en/of mentale uitputting. Het welzijn kan daardoor afnemen en het proces naar zelfactualisatie (het volledig benutten van je talenten in lijn met wie je als persoon bent) belemmeren. In de literatuur lijken er zodoende hiaten te zijn tussen de concepten hoogbegaafdheid en multipotentialiteit en de grote vraag is: hoe deze hiaten te overbruggen?
Leon Houben en Sven Mathijssen hebben als sterrenkundige en psycholoog de handen ineengeslagen om deze vraag te beantwoorden. Door computerwetenschappen en sociale wetenschappen te combineren proberen zij menselijk denken te omschrijven aan de hand van de verschillende manieren waarop problemen kunnen worden opgelost, net zoals computers dat doen. Dit is an sich niet nieuw, de computeranalogie wordt in populaire media veel gebruikt als metafoor voor (de hersenen van) mensen met kenmerken van begaafdheid. Wat wel nieuw is, is de vergelijking tussen iemands denkprocessen en die van een computer en in het bijzonder die van een kwantumcomputer. Binnen dat denkproces vinden er – net als bij multipotentialiteit – zo veel processen tegelijkertijd plaats, dat het niet altijd duidelijk is wat de precieze stappen voorafgaand aan de uiteindelijke oplossing zijn of waarom juist deze stappen zijn gezet.
Leon en Sven werken momenteel aan een conceptualiserend artikel waarin zij een kwantumcomputer als metafoor gebruiken voor multipotentialiteit. De bedoeling is dat dit artikel een analogie biedt die individuen (en eventueel andere betrokkenen) inzicht kan geven in de oorsprong van hun talenten en hen kan helpen bij het kiezen van welke talenten wel en niet te ontwikkelen in het licht van zelfactualisatie.
Onderzoek naar hoogbegaafdheid: appels en peren vergelijken
Dat hoogbegaafdheid nog altijd geen eenduidige definitie kent, is haast een cliché. We kunnen ons zodoende ook afvragen hoeveel er nu over bekend is. Dit is een relevante vraag, want het kan betekenen dat belangrijke resultaten uit een onderzoek met een groep ‘hoogbegaafde mensen’ mogelijk niet van toepassing zijn op een andere groep mensen die evengoed ‘hoogbegaafd’ wordt genoemd. Als we het niet over hetzelfde hebben, wat weten we dan nu echt over hoogbegaafdheid?
Precies om dit probleem dook Carol Carman (University of Texas Medical Branch) de literatuur in. Ze onderzocht in 104 onderzoeksartikelen gepubliceerd tussen 1995 en 2009 hoe onderzoekers hun hoogbegaafde en niet-hoogbegaafde participanten selecteerden. De methoden waren divers, variërend van selectie op basis van IQ (waarbij verschillende ondergrenzen werden aangehouden), tot leerkracht- of oudernominatie en deelname aan buitenschoolse activiteiten. Maar niet alles was even duidelijk; in 11.5% van de onderzochte publicaties werd de selectiemethode helemaal niet genoemd. Kortom: onderzoekers hielden er verschillende selectiemethoden op na, maar deden wel allemaal uitspraken over hoogbegaafdheid in het algemeen. Volgens Carman is dit een probleem voor het wetenschappelijk veld, omdat het het onderling vergelijken van onderzoeksbevindingen nagenoeg onmogelijk maakt. Als onderzoeken niet vergeleken kunnen worden, wordt de wetenschappelijke kennisbasis onstabiel. Omdat het formuleren van één definitie van hoogbegaafdheid waar iedereen het mee eens is vermoedelijk niet haalbaar is, riep ze onderzoekers op om in ieder geval duidelijk te zijn over hoe de participanten gesignaleerd waren.
De vraag is nu: heeft het onderzoeksveld naar deze oproep geluisterd? Sven en Carol doen nu, ongeveer 15 jaar na de oorspronkelijke analyse, samen een replicatiestudie om antwoord te geven op deze vraag. Er is in 15 jaar veel gepubliceerd, maar als het veld nog altijd bestaat uit onderzoeken die moeilijk onderling te vergelijken zijn, heeft dat grote gevolgen voor thema’s als diversiteit, gelijkheid, inclusie, signalering, professionalisering en de effectiviteit van (buitenschoolse) activiteiten en programma’s.
Het onderzoek is gepreregistreerd, wat inhoudt dat de onderzoekers niet van hun opzet af mogen wijken. De verzameling van alle bronnen gepubliceerd tussen 2010 en 1 april 2025 is inmiddels gedaan. Ruim 8.600 artikelen zijn beoordeeld op bruikbaarheid op basis van de titel en de samenvatting. Daarvan bleven ruim mogelijk bruikbare 2.650 artikelen over. Deze worden nu inhoudelijk gelezen om na te gaan of ze echt bruikbaar zijn voor dit onderzoek. Daarvan blijven er vermoedelijk een paarhonderd over die werkelijk gebruikt kunnen worden om te bepalen of we nog steeds appels met peren aan het vergelijken zijn. De bedoeling is in 2026 de bevindingen te kunnen delen.
Benieuwd naar ons onderwijs voor professionals over hoogbegaafdheid?
Wil je op de hoogte blijven van deze en andere onderzoeken? LinkedIn pagina van RCSW